WebiMed.net

Medische Informatie en Gezondheid

1929

1929

De introductie van de ergospirometrie door de Duitse Professor Geneeskunde Hugo Wilhelm Knipping (1895-1984) was van fundamenteel belang voor de verdere klinische inspanningsdiagnostiek.

Met behulp van zijn toestel kon Knipping tijdens een gedoseerde arbeidsbelasting zowel de respiratoire volumes als de respiratoire gassen meten. Dit werd mogelijk door de ontwikkeling van de ergometer van Carl Speck (1828-1916).

De Amerikaanse cardiologen Arthur Master (1897-1973) en Gordon Oppenheimer (1900-1974) van het Mount Sinai Hospital in New York City, introduceerden een gestandaardiseerd oefenprotocol voor het bepalen van de functionele capaciteit en hemodynamische respons, maar in de jaren 1950 werd pas het eerste ergospirometrie apparaat ontwikkeld dat voldeed aan alle wetenschappelijke eisen.

In 1929 publiceerden de Amerikaanse fysiologen Edward Christian Schneider (1888-1954) en Gordon Clark Ring (1901-?) de resultaten van een twaalf weken durend trainingsprogramma voor het verbeteren van het uithoudingsvermogen bij een persoon. Ze toonden een stijging van 24% aan van de ‘crest load’ van zuurstof of de maximale zuurstofopname.

In 1929 werd in Groot-Brittannië de Medical Association of Physical Culture opgericht. 

Onder auspiciën van de Comitato Olimpico Nazionale Italiano (CONI), bestaande uit de meest invloedrijke sportartsen van Italië, zag de Italiaanse Vereniging voor Sportgeneeskunde ‘Federazione Medico Sportiva Italiana’ (FMSI) het levenslicht.

De FMSI organiseerde wetenschappelijke en praktische cursussen in sportgeneeskunde voor huisartsen, evenals cursussen voor coaches en masseurs.

Giancinto Viola (1870-1943) en Nicola Pende (1880-1970), twee van de meest invloedrijke Italiaanse sportartsen uit die tijd, ontwikkelden een biometrisch evaluatieschema voor atleten.

Het eerste Italiaanse instituut voor sportgeneeskunde werd opgericht in 1929 in Bologna.

Tussen 1929 en 1931 hadden de sportartsen 2.400 jongens en meisjes en 342 wedstrijdsporters geëvalueerd om hen te helpen bij het kiezen van de sport die het meest geschikt voor hen was.

In 1930 richtte CONI in Rome een speciaal ziekenhuis voor traumatologie op om gewonde sporters gratis te kunnen behandelen.

Eveneens in 1930 keurde CONI een regeling goed van de artsenfederatie om alle medische aspecten van sport in Italië te coördineren en te controleren. Italiaanse sportartsen waren volledig geïntegreerd in de fascistische staat en weinigen waren tegen de maatregel.

Tegen 1935 waren 2.000 leden belast met medische zaken binnen staatsorganisaties. Deze investering werd duidelijk in de prestaties van Italiaanse atleten op de Olympische Spelen van 1932, waar ze tweede werden, en in Berlijn in 1936, toen ze derde werden.

In 1929 ontwikkelde de Duitse fysiotherapeute Elisabeth Dicke (1884-1952) de ‘bindweefselmassage'.

Omdat ze problemen kreeg met de bloedsomloop in haar rechterbeen, zat ze in een rolstoel zat en dreigde er zelfs een amputatie. Om de rugpijn te behandelen die het gevolg was van het bedlegerig zijn, masseerde ze zichzelf op het bekken. Dat verlichtte niet alleen de rugpijn, maar ook de bloedcirculatie in het been verbeterde.

Door massagetechnieken toe te passen bij nierkolieken, ontwikkelde zij een behandelmethode waarbij de massage van verschillende delen van het lichaam andere organen beïnvloedde. Later ontdekte ze dat overeenkomstige relaties tussen huidzones en inwendige organen vroeger al door de Britse neuroloog Henry Head (1861-1940) beschreven waren.

In 1938 werd ze door het hoofd van de Krankengymnastikschule Freiburg im Breisgau, Hede Teirich-Leube (1903-1977), uitgenodigd om samen te werken en het jaar daarop werd haar methode in Freiburg klinisch getest. Dit resulteerde in het boek 'Massage reflektorischer Zonen im Bindegewebe bei rheumatischen und inneren Erkrankungen' en daaruit ontstond de naam van de methode bindweefselmassage.

In 1942 verhuisde Dicke naar Überlingen aan het Bodenmeer, waar ze tot de zomer van 1952 opleiding gaf over haar methode.

Haar tweede boek, ‘Meine Bindegewebsmassage’, werd posthuum gepubliceerd.