WebiMed.net

Medische Informatie en Gezondheid

1926-1927

1926

De Duitse sportarts Wolfgang Kohlrausch (1888-1980) opende een fysiotherapieschool aan de Chirurgischen Universitätsklinik Berlin en leidde later nog andere fysiotherapiescholen. Door zijn interdisciplinaire samenwerking met de Duitse chirurgen August Bier (1861-1949) en Rudolf Klapp (1873-1949) werd de fysiotherapie uit de Weimar-periode geïntegreerd in andere specialistische gebieden zoals neurologie, gynaecologie en interne geneeskunde.

Fysiotherapie kreeg meer aanzien onder artsen dankzij Kohlrausch en de fysiotherapeut Hede Teirich-Leube (1903-1979), die later zelf arts werd.

Van 1920 tot 1935 was hij arts op de gymnastiekafdeling van het Chirurgischen Universitätsklinik Berlin en hoofd van het antropometrische laboratorium van de Deutschen Hochschule für Leibesübungen.

Nadat hij zijn opleiding ‘sporthygiëne’ voltooide werd Kohlrausch in 1934 benoemd tot Professor aan de Universität Berlin.

Van 1935 tot 1941 was hij hoofd van het Sportgeneeskundig Instituut aan de Medizinischen Fakultät der Universität Freiburg en ontving hij staatserkenning voor zijn fysiotherapieschool.

Van 1941 tot 1944 was hij hoogleraar oefentherapie aan de Reichsuniversität Straßburg en was hij daar ook hoofd van een fysiotherapieschool.

Van 1948 tot 1950 werkte hij als hoofdvakleraar aan de fysiotherapie-school van het Kantonsspital Zürich onder leiding van de Zwitserse reumatoloog Albert Böni (1911-1993).

Van 1954 tot 1959 was Kohlrausch hoofd van het sanatorium Hohenfreudenstadt.

1927

In het Harvard Fatigue Laboratory toonde de Amerikaanse fysioloog Lawrence Henderson (1878-1942) aan dat een duurtraining de efficiëntie van het cardiovasculaire systeem verbetert, door een dalend slagvolume en een dalende hartslag bij rust. 

Henderson ontdekte ook dat het zuur-base-evenwicht gereguleerd wordt door buffersystemen van het bloed in complexe coördinatie met de ademhaling, de longen, de rode bloedcellen en de nieren.

In 1908 schreef hij de Henderson-vergelijking om het gebruik van koolzuur als bufferoplossing te omschrijven. De Deense arts en chemicis Karl Albert Hasselbalch (1864-1962) drukte die vergelijking later uit in logaritmische termen, waardoor de Henderson-Hasselbalch-vergelijking ontstond.

Daarnaast beschreef Henderson het bloedgastransport en de algemene fysiologie van bloed als fysisch-chemisch systeem.

Met de hulp van de Franse ingenieur en wiskundge Maurice d'Ocagne (1862-1938) bedacht en construeerde Henderson nomogrammen. Hij introduceerde die nomogrammen ook in de fysiologie en biologie. De daaruit voortvloeiende onderlinge relaties van verschillende factoren werden in meer dan honderd nomogrammen weergegeven in zijn boek 'Blood'.

Het aantal Duitse sportartsen groeide gestaag, in 1927 werden er reeds 2.500 genoteerd. Op het vijfde Duitse congres voor Sportgeneeskunde in Berlijn, waar Professor Walter Schnell (1891-1960) tot nieuwe voorzitter verkozen werd, noteerde men voor het eerst sportartsen uit twaalf verschillende landen

De Berlijnse Professor Wilhelm Bätzner (1879–1964) publiceerde het boek Sportschäden am Bewegungsapparat, dat hij opsmukte met 28 afbeeldingen.

In 1949 gaf hij het boek Sportunfall und erste Hilfe uit.

De Nederlandse arts Herman Reijs (1883-1948) richtte in 1927 het eerste sportkeuringsbureau op. Vrij vlug volgden er nog meer, die zich op 2 mei 1930 verenigden in de Federatie van Bureaux voor Medische Sportkeuring.

Samen met gymnastiekleraar Piet Dekker (1881-1947) had Reijs in 1912 de ‘Haagsche Kweekschool voor Gymnastiek en Heilgymnastiek’ gesticht, de latere Haagse Academie voor Lichamelijke Opvoeding (HALO), en werd hij directeur en docent gymnastiek, anatomie en fysiologie van deze instelling.

Op 14 februari 1928, tijdens de oprichtingsvergadering van de AIMS, het latere FIMS, in St. Moritz werd hij verkozen tot secretaris van de Internationale Congrescommissie voor het eerste Wereldcongres Sportgeneeskunde, dat in Amsterdam gehouden werd tijdens de Olympische Spelen van 1928.

In de Verenigde Staten betekende de benoeming van de Amerikaanse fysioloog David Bruce Dill (1891-1986) tot directeur van het Fatigue Laboratory van de Harvard Uinversity een enorme stap vooruit in het humane fysiologie onderzoek.

Tot op dat ogenblik was hij beroemd geworden door zijn onderzoek van krokodillenbloed.

Hij werd ook verkozen tot president van de American Physiological Society.

In 1933 droeg Dill samen met de Italiaanse Professor fysiologie Rodolfo Margaria (1901-1983) bij aan een HFL-studie naar het zuurstofschuldmechanisme.

Onder Dill voerde het Fatigue Laboratory een van de meest opmerkelijke onderzoeken uit naar de effecten van veroudering op atleten. Onder de proefpersonen bevond zich Don Lash (1912-1994), die in 1936 met een tijd van 8 minuten en 58 seconden wereldrecordhouder werd op de twee mijl. Veel van de andere proefpersonen waren gestopt met trainen nadat ze de universiteit hadden verlaten, maar Lash was doorgegaan en liep op 49-jarige leeftijd gemiddeld nog 45 minuten per dag. De VO2-max van Lash daalde tussen de 24 en 49 jaar met 33%, vergeleken met een gemiddelde van 43% voor hardlopers die niet bleven trainen. De gegevens suggereerden dat vroege fysieke training later weinig helpt bij het uithoudingsvermogen, tenzij het fysieke activiteitsniveau op peil blijft.