WebiMed.net

Medische Informatie en Gezondheid

1924-1925

1924


Aan de Universiteit van Kopenhagen ontwikkelde diabetoloog Hans Christian Hagedorn (1888-1971) een speciaal voor klinisch gebruik aangepast toestel dat het zuurstofverbruik en de koolstofdioxide output grafisch kon registreren.

Zijn ervaringen met de respiratiemachine van de Deense fysioloog August Krogh (1874-1949) leerden hem dat het voor klinisch onderzoek enorm nuttig is om ook de zuurstofconsumptie grafisch weer te geven. Want de grafieken toonden of de respiratie en het metabolisme uniform waren of niet, een belangrijke controle bij het bestuderen van proefpersonen die niet voor metabole experimenten getraind waren. Met de tabellen van de Duitse fysioloog Nathan Zuntz (1847-1920) kon de hitteproductie berekend worden en ook de berekeningen en tabellen van August Krogh (1874-1949) werden gebruikt. De ventilatie berekende hij met een goede planimeter die de totale zone tussen inspiraties en expiraties kon meten. De meting van de planimeter gaf dan een zone weer die gedeeld door de lengte van het experiment de gemiddelde diepte weergaf van de respiratie in centimeters op de abscis. Via een speciale schaalverdeling kon die dan in liters omgerekend worden. De gemiddelde respiratie vermenigvuldigd met het aantal respiraties tijdens het experiment en gedeeld door de duur van het experiment in minuten gaf de ventilatie per minuut.

1924

Op de Olympische Spelen van Parijs werd de Amerikaanse ploeg voor het eerst door een medisch team begeleid.

1924

De Engelse fysioloog Archibald Vivian Hill (1886-1977) beschreef de maximale zuurstofopname (VO2 max). Hij bedacht de termen O2 deficiet, steady state en O2 schuld.

1924

De Duitse chirurg en sportarts August Bier (1861-1949) verhuisde in 1924 naar de Chirurgischen Universitätsklinik München, waar Professor Ferdinand Sauerbruch (1875-1951) de touwtjes in handen had. Bier lanceerde ook ‘Deutschen Ärztebundes zur Förderung der Leibesübungen’, het Duitse tijdschrift voor Sportgeneeskunde dat gewijd was aan sportmedisch en sportwetenschappelijk onderzoek.

1924

De Duitse artsen Ludwig Aschoff (1866-1942) (foto) en Oscar de la Camp (1871-1925) startten het departement Sportgeneeskunde aan de Universiteit van Freiburg, dat onder leiding van Professor Hermann Rautmann (1885-1956) deel uitmaakte van de dienst Interne Geneeskunde. De studenten Geneeskunde moesten verplicht deelnemen aan ‘lichamelijke oefeningen’. Rautmann had tijdens de eerste Wereldoorlog al heel wat antropologisch onderzoek gedaan bij soldaten. Zo hield hij zich bezig met hartvergrotingen bij atleten en onderzocht hij de hypertrofie van het hart tijdens atletiektraining.

1924


Toen hij in Hamburg bij Ludolph Brauer (1865-1951) werkte ontwikkelde de Duitse arts Hugo Wilhelm Knipping (1895-1984) een spirograaf voor basale bepalingen.

1924


Een draagbare Douglas Bag uit 1924. 

1924


De Duitse arts en fysiotherapeute Hede Teirich-Leube (1903-1979) speelde een belangrijke rol in de ontwikkeling van bindweefselmassage. In 1923 startte ze in Berlijn als secretaresse, laborante en fotografe in het antropometrische laboratorium van de Deutschen Hochschule für Leibesübungen en een jaar later haalde ze daar haar diploma. Ze doceerde aan de Krankengymnastikschule van Professor Wolfgang Kohlrausch (1888-1980). Toen die naar de Universität Freiburg verhuisde volgde ze haar leermeester. In 1941, bij het vertrek van Kohlrausch naar Straatsburg, nam ze de leiding over in Freiburg en voltooide ze ook haar studies Geneeskunde. Van 1949 tot 1970 was ze voorzitster van het 'Landesverbandes Südbaden-Südwürttemberg der Krankengymnastinnen' en samen met de hoogleraar Orthopedie Kurt Lindemann (1901-1966) en diens collega Wolfgang Heipertz (1922-2013) gaf ze het vierdelige 'Lehrbuch Krankengymnastik' uit.

1925


De Duitse Professor Geneeskunde Max Rubner (1854-1932), een internationaal erkende metabolisme-onderzoeker die directeur was van het Robert Koch Instituut in Berlijn, stelde vast dat de skeletspieren bij volwassenen 43% van het totale lichaamsgewicht bedragen en dat het totale bewegingsapparaat inclusief botten, hart en longen 61% bedraagt. Het grootste deel van de musculatuur gaat naar de benen (56%) en bovenste ledematen (28%). De hoofd- en rompspieren vertegenwoordigen 16% van het totale lichaamsgewicht. Ook constateerde hij dat 3.200 kcal voldoende waren voor de dagelijkse energiebehoefte bij lichamelijke oefening van een persoon van 70 kg, terwijl 2.600 calorieën voldeden voor eenvoudig kantoorwerk. Het metabolisme van een boerderijmedewerker tijdens het oogsten zou 4.300 kcal zijn. De piekwaarden van het dagelijkse calorie-verbruik bij houthakkers kwam neer op ongeveer 6.000 kcal voor een persoon van 70 kg. Lange-afstand wielrenners konden echter een piek bereiken van 11.000. Rubner nam aan dat het darmstelsel de beperkende factor is voor de opname van calorieën in het menselijke lichaam. Een meerdaagse herhaling van dergelijke grote inspanning zou onvermijdelijk tot gewichtsverlies leiden.

1925

De Duitse Interist Herbert Herxheimer (1894-1985) beschreef zeer precies de psychische en fysische effecten van overtraining, met ondermeer een daling van de maximale zuurstofopname, verminderde eetlust, neiging tot zweten, rillingen, schokkerige reflexen, en uitgesprosken respiratoire arritmie met een duidelijk overwicht van het parasympathische deel. Hij nam ook obstipatie en pijnlijke maagkrampen waar. Herxheimer publiceerde zijn volledige sportgeneeskundige kennis in zijn beroemd boek uit 1933. Herxheimer beschreef ook het verband tussen de grootte van het hart en het hardlopen. Hij vond een toename van de transversale diameters van het hart in de volgende oplopende volgorde: boksen, zwemmen, middenafstandslopen, langeafstandslopen, marathonlopen, en langeafstandskiën. Vooral grote harten werkten aan een groter slagvolume, wat tot een bradycardie in rust kon leiden. De bloeddruk van duursporters zou laag zijn.

extad/peakflowmeter.be