Geschiedenis van de Spirometrie - Deel VIII

Tissot spirometer
1902
T.G. Brodie was in 1902 de eerste om een dry bellow wedge (droge wigvormige blaasbalg) spirometer te gebruiken, die een voorloper is van de Fleisch spirometer die vandaag gebruikt wordt
1904
Jules Tissot (1870-1950) introduceerde een gesloten circuit spirometer. Een zeer grote waterslot spirometer, ontwikkeld om het uitgeademde gas gedurende een lange periode te verzamelen; het neutraliseren van de klok (bijna wrijvingsloos) wordt goedgemaakt door de veranderingen van de klok de opwaartse druk als ze uit het water komt, waarbij het ingehouden gas precies op de atmosferische druk van de omgeving wordt gehouden. De spirometer van Tissot mat de geëxpireerde ventilatie.
In het begin van de 20ste eeuw was er een heropleving van de interesse voor het meten van respiratoire volumes, maar dit werd opgedreven door de nood aan het meten van de metabolic rate, vooral bij patiënten met een schildklierziekte. Het door Benedict en H.W. Knipping speciaal voor deze functie ontwikkelde toestel gelijkt op de spirometer van Hutchinson.
Een heropleving van interesse voor respiratoire metingen in Europa in de jaren 1920 werd geleid door drie factoren: de problemen ervaren door de piloten gedurende de eerst Wereldoorlog, de nood aan objectieve metingen als gevolg van de introductie van statutaire compensatieschema’s voor arbeiders met een industriële longziekte, en, waarschijnlijk de meest belangrijke, de verrijzenis van de thoracale heelkunde als een levensvatbare specialiteit en de nood om de fitness van de patiënt te evalueren. Longartsen waren nog altijd en bijna uitsluitend betrokken bij de problemen van TB en zelfs in 1933 nog benadrukte een in de Lancet gepubliceerde paper de sensitiviteit van VC in het opsporen van TB (hoewel dit nu al 50 jaar na de erkenning dat TB een infectieuze ziekte is). Het leek alsof er weinig veranderd was sedert de tijd dat van Hutchinson bijna één eeuw eerder.
De met water gevulde spirometer van Knipping
gebruikt voor metabole metingen.
In de jaren 1920 introduceerden H.W. Knipping en Brauer de ergospirometer, die het testen tijdens inspanning toeliet, in plaats van enkel metingen in rust te doen. Dit was mogelijk als gevolg van de ontwikkeling van een ergometer ‘ergostaf’ door C. Speck in 1883. E. Bouny had in 1896 reeds studies gedaan waarbij hij de eerste fietsergometer gebruikte. Volgens Hollmann en Valentin:
“Ergospirometrische methoden hebben tegenwoordig een zekere belangrijkheid in onderzoek, diagnose, therapie, revalidatie, training en sport. Gespecialiseerde medische disciplines zoals sportgeneeskunde, pneumologie, cardiologie, arbeidsgeneeskunde, sociale geneeskunde en inspanningsfysiologie en ook het gebied van de biomechanica, klinische farmacologie en biochemie maken gebruik van ergospirometrie en hebben er veel kennis aan te danken.”
Links de spirograaf. De leidingen naar de patiënt
zijn verlengd, zodat die zich vrij kan bewegen. De patiënt is
niet met een mondstuk aan de spirograaf aangesloten, maar via een
groot, zacht celluloid masker.
Rechts: de ergograaf. Belastingsweerstanden vanaf 30 Watt worden
tijdens het onderzoek trapsgewijs en zonder onderbreking verhoogd,
soms tot 500 Watt en meer. De gewenste arbeidsintensiteit wordt links
van de weerstanden ingesteld en de geleverde arbeid onmiddellijk
afgelezen. Het traagheidsmoment wordt door grote metalen schijven
verhoogd. De toerenteller is zichtbaar boven de draaizwengel.
Het concept om longcapaciteiten tijdens fysieke inspanning te meten was een enorme doorbraak in de wetenschappelijke wereld en wordt heden ten dage nog steeds gebruikt. Het laat inspanningsfysiologen toe om het zuurstof- en het energieverbruik tijdens inspanning te meten, en hieruit heel wat informatie te winnen over de fitness en gezondheidsniveaus van de individuën die de test uitvoeren.
Er schijnt meer aanvaarde interesse in spirometriemetingen bestaan te hebben in de USA en in 1925, publiceerde Myers een monografie die de verschillende condities detailleerde waarbij de VC verminderd was, die sensitiviteit demonstreerde; maar een gemis aan specificiteit: cardiale ziekten, hypothyroïdie, emfyseem, astma, pleuritis, pneumothorax, tumoren, pulmonair abces, pneumonie, pulmonaire TBC, oude pleurale vergroeiïngen, vervormingen van de thorax, ossificatie van het kraakbeen van de ribben en ook nog “zich ziek houden, en gebrek aan meewerken moeten in overweging genomen worden”
