Sponsor

rdsm

Geschiedenis van de Spirometrie - Deel X

1950

De naam CPUE werd veranderd in "volume expiratoire maximum seconde" (VEMS) door een groep Europese experts, die elkaar ontmoetten op 13 februari 1954 in Parijs, en de VEMS/CV × 100 ratio werd aanbevolen. Ondanks verschillende pogingen om de geforceerde expiratie te onderzoeken op een andere manier, blijven de VEMS en/of FEV1 na 60 jaar de voornaamste variabelen die de longarts dagelijks gebruikt.

Een enorm werk werd verricht om de reeks waarden vast te stellen die bij gezonde mensen normaal gevonden worden om de procedures tussen de verschillende onderzoekers te harmoniseren. In Europa hebben ze ruim voordeel gehaald uit de continue steun vanuit de Europese Gemeenschap van Kolen en Staal.

Het jaar 1957 was een andere belangrijke stap in de geschiedenis van de longfunctietesten. Ten eerste publiceerde Tiffeneau, 10 jaar na zijn eerste werk over het onderwerp, zijn monografie "Examen pulmonaire de l'asthmatique", die heel zijn werk samenvat, niet alleen over de "VEMS", maar ook over de bronchiale provocatie. Tiffeneau klaarde uit dat de absolute waarde van de VEMS absolute informatie geeft over het ventilatoire defect, daar waar de "VEMS/CV" ratio informatie geeft over de oorsprong ervan.

Ten tweede adopteerde de British Thoracic Society de aanbevelingen over de terminologie van de metingen van de ventilatoire capaciteit. Wel had men objecties over de term "timed VC", omdat die niet de aard van de expiratie aanduidde, en ze vervingen hem door de uitdrukking "forced expiratory volume over a stated interval of time", en vandaar de FEV1 en de FEV0.25–0.75. Zij aanvaardden de FEV1 eerdere dan de FEV0.75 omdat die meer geschikt was voor klinisch gebruik. Voor het berekenen van de ratio, werden zowel de geforceerde VC en de vitale capaciteit aanvaard (steeds gemeten tijdens een expiratie zoals Hutchinson ze deed).

1957
B.M. Wright
B.M. Wright

Wright peakflowmeter

Wright peakflow meter

1959

B.M. Wright en C.B. McKerrow introduceren de peak flow meter

De peakflow meter meet de maximale mogelijkheid van de patient om uit te ademen, of de peak expiratory flow rate (PEFR of PEF). Peak flow opnames zijn hoger als de patiënten goed zijn en lager als de luchtwegen vernauwd zijn. Vanuit veranderingen in de gemeten waarden, kunnen patiënten en artsen de longfunctie bepalen, de ernst van astmasymptomen en behandelingsopties.

Het meten van de peak expiratory werd begonnen door Dr. Basil Martin Wright, die de eerste meter produceerde, speciaal ontwikkeld om deze longfunctie index te meten. Vermits het originele design van het toestel werd ingevoerd in de late jaren 1950, en de daaropvolgende ontwikkeling een meer draagbaar, goedkopere versie (de 'Mini-Wright' peak flow meter), kwamen andere designs en copies beschikbaar wereldwijd.

Maximum flow–volume curves werden voor het eerst beschreven in 1960, en geven een elegante en visuele synthese van de maximale expiratie en inspiratie flow gedurende het hele FVC bereik. De maximum mid-expiratory flow (MMEF of FEF25–75) anticipeert momenteel de flow–volume curves, gezien het geen vlug reagerende toestellen nodig heeft en grafisch kan bekomen worden uit het volume–tijd spirogram. Deze meting is altijd meer populair geweest sin Noord Amerika dan in Europa; ze is niet specifiek voor luchtwegenvernauwing, vermits ze eveneens gereduceerd wordt bij restrictieve ventilatoire defecten en ze heeft een veel bredere normale reeks dan FEV1 en FVC.

Latere verhoudingscijfers voortkomende uit geforceerde uitademing houden analyse van momenten op het vlak van de tijd in en de FEV6.

Het vorige, hoewel van theoretisch belang, heeft zijn eerste belofte nog niet bevestigd. De FEV6 werd recent aanbevolen als een alternatief voor de FVC, met het voordeel dat patiënten met een verlengde expiratie hun inspanningen gedurende kortere tijd kunnen doen

1969

A.B. DuBois en K.P. van de Woestijne presenteren de volledige lichaamsplethysmografie op mensen

1974

Campbell presenteert een goedkope en lichte peak flow meter

Spirometrie valt onder het bredere concept van calorimetrie. Calorimetrie is de accurate bepaling van energieverbruik tijdens rust en fysische inspanning. Er zijn twee verschillende manieren om calorimetrie te meten: de indirecte en de directe. Directe calorimetrie is de beoordeling van de metabolische lichaamsrate door directe meting van de geproduceerde hitte. Indirecte calorimetrie is de schatting van de hitte of energieproductie gebaseerd op zuurstofverbruik, koolstofdioxideproductie en stikstofsecretie. Twee toepassingen van indirecte calorimetrie zijn de gesloten circuit spirometrie en open circuit spirometrie.

In de gesloten circuit spirometrie ademt de proefpersoon in een voorgevulde container en de uitgeademende lucht passeert via een vat van natriumkalk. De natriumkalk absorbeert de koolstofdioxide en de zuurstof gaat terug naar de zuurstofcontainer. Een opnamevat meet de verwijderde zuurstof, wat overeenstemt met de hoeveelheid zuurstof geconsumeerd door de proefpersoon. Deze methode van spirometrie is vrij beperkend tijdens fysische inspanning, maar wordt vandaag nog steeds gebruikt in hospitalen en labo’s.

Open circuit spirometrie is nuttig voor het meten van het energieverbruik tijdens fysieke activiteit en drie gebruikelijke methoden includeren draagbare spirometrie, zaktechniek en gecomputeriseerde instrumenten. In open circuit spirometrie ademt de proefpersoon omgevingslucht in en de uitgeademde lucht gaat enkel naar buiten via een gasmeter, die meet en analyseert. Draagbare spirometrie vereist dat de proefpersoon het toestel draagt zoals bijvoorbeeld een rugzak. Uitgeademde lucht passeert via een gasmeter, die de lucht analyseert en eveneens stalen neemt van de omgevingslucht. De genomen metingen zullen gebruikt worden om het zuurstofverbruik te bepalen. Het zakprincipe bestaat uit het uitademen van de lucht door de proefpersoon in een plastieken of linnen zak of in een rubberen ballon. Zoals draagbare spirometers neemt de meter stalen van de omgevingslucht die gebruikt worden tijdens de analyse en de bepaling van het zuurstofverbruik. De toestellen gebruikt in gecomputeriseerde instrumenten bestaan uit een systeem dat continu stalen neemt van de door de proefpersoon uitgeademde lucht, een toestel dat het debiet meet van de uitgeademde lucht en zuurstof en koolstofdioxide analysers om de uitgeademde gas mix samenstelling te meten.

Omdat er echt geen ‘gouden standaard’ is voor spirometrie worden alle hierboven vermelde technieken nog steeds gebruikt. Al deze technieken worden als accuraat beschouwd en vermits er soms weinig verschillen bestaan tussen de verschillende technieken, zijn de verschillen niet groot genoeg om een bepaalde techniek als niet accuraat te bestempelen. Het blijkt dat de keuze voor een spirometer meer afhangt van wat de onderzoekers verkiezen en van welk type activiteit de proefpersonen zullen doen, eerder dan van de accuraatheid van de technieken.

De ethnische groep corrective is een gangbare praktijk on de hedendaagse pulomnaire geneeskunde die mathematische aanpassingen inhoudt van longcapaciteit in populatie die als “zwart” worden aangeduid waarbij standaarden worden gebruikt van “witte” populaties. Longcapaciteit werd eerst in beeld gebracht als een afzonderlijke entiteit van potentieel gebruik bij de diagnose van pulmoniare ziekten en de monitoring van de vitaliteit van de strijdkrachten en andere publieke dienaars in spirometrie studies uitgevoerd in het negentiende eeuwse Groot Brittanië. De spirometer werd daarna geimporteerd in de Verenigde Staten en werd er gebruikt om de longcapaciteit te meten in een grote studie van blanke en zwarte soldaten in de Union Army en gesponsord door de U.S. Sanitary Commission op het einde van de burgeroorlog. Ondanks contradictorische bevindingen en contestatie van leidinggevende zwarte intelectuellen, werd de notie van belangrijke verschillen in longcapaciteit tussen ethnische groepen sterk verankerd in het wetenschappelijk beeld van de negentiende eeuw Despite contrary findings and contestation by leading black intellectuals, the notion of mean differences between racial groups in the capacity of the lungs became deeply entrenched in the popular and scientific imagination in the nineteenth century, leaving unexamined both the racial categories deployed to organize data and the conditions of life that shape lung function.


<< Deel 9Deel 11 >>