Sponsor

rdsm

Geschiedenis Cardiologisch onderzoek: 1600-1649

1600

image002_6.jpg
 
William Harvey (1578-1657) herstartte het stilgevallen hart van een duif met een simpele vingerknip. Harvey staat bekend als de man die de grootste verandering bracht in het beeld dat over de bloedsomloop bestond. Hij ontdekte dat er wel degelijk een circulatie bestaat. In zijn boek "Exercitatio anatomica de motu cordis et sanguinis in animalibus" uit 1628 beschreef hij deze ontdekking. Eerst berekende hij de hoeveelheid bloed die per half uur het hart passeerde. Hoewel het geen meting was, maar eerder een ruwe schatting zat hij opvallend dicht bij de werkelijke waarde, hij concludeerde namelijk dat op 30 minuten tijd 20 pond bloed het hart passeerde. Hieruit leidde hij af dat het beeld van Galenus over het ontstaan van bloed niet juist kon zijn. Om de door Harvey berekende hoeveelheid bloed het hart te laten passeren, moest er dagelijks door de lever zeer immense hoeveelheid bloed geproduceerd worden, die veel groter was dan een individu in werkelijkheid kon opnemen. Hieruit concludeerde Harvey dat het bloed dus in een kringloop moest bewegen om telkens opnieuw het hart te passeren. Hiervoor zou er in de periferie van de bloedsomloop een verbinding moeten bestaan tussen slagaders en aders, die wij nu kennen als haarvaten.
Harvey zat met het probleem dat hij deze verbindingen niet met het blote oog kon waarnemen. Om hun bestaan te bewijzen voerde hij een experiment uit. Hij bond een band zo strak rond de arm van een persoon dat er geen bloed meer kon doorstromen. Hierna loste hij de band een beetje, zodat het slagaderlijke bloed kon stromen, maar het aderlijke niet. Hij noteerde dat de aders niet zichtbaar waren bij volledig afbinden, maar bij de slagaderlijke stroming waren de aders duidelijk zichtbaar en opgezwollen. Harvey had bewezen dat bloed zich via de slagaders naar onder bewoog en via de aders weer omhoog stroomde. Doordat het bloed niet verder kon dan de band, zwollen de aders op. Dit kon niets anders betekenen dan dat er inderdaad een verbinding bestond tussen aders en slagaders. Op dezelfde manier bewees Harvey ook het bestaan van kleppen in de aders. Opvallend was dat Harvey zijn tijd ver vooruit was, maar zeker ook zichzelf. Hij was bang voor kritiek van vooraanstaande medici die nog heilig geloofden in de leer van Galenus: "The remaining matters, however - are so novel and hitherto unmentioned that, in speaking of them, I not only fear that I may suffer from the ill-will of a few, but dread lest all men turn against me. To such an extent is it virtually second nature for all to follow accepted usage and teaching - to such an extent are men swayed by a pardonable respect for the ancient authors."
Hij was ook nog sterk verbonden met de leer van Aristoteles en bovendien een religieus man. Zijn ontdekking schreef hij toe aan het feit dat het hart naar zijn mening (net als die van Aristoteles) het centrum was van het hele lichaam. Het bloed werd telkens opnieuw naar dit centrum geleid om er opnieuw gevoed te worden met levensenergie om het vervolgens naar de periferie te brengen. Hij weigerde het lichaam als een "machine" te zien en hij voegde op deze manier een religieuze dimensie toe aan zijn ontdekking. Hij was er ook van overtuigd dat levende wezens enkel uit eieren voortkwamen.

1600

image004_4.jpg 

William Gilbert (1544-1603), lijfarts van koningin Elizabeth I, President van de "Royal College of Physicians", en ontdekker van de 'magnetic philosophy' introduceerde de term 'electricea' voor objecten (isolators) die statische elektriciteit bevatten. Hij leidde het woord af van het Grieks voor amber of barnsteen (electra). Sedert de oudheid was geweten dat wanneer amber gewreven werd het lichte materialen kon opheffen. Gilbert voegde andere voorbeelden toe, zoals zwavel en beschreef wat later bekend zou worden als 'statische elektriciteit' om het te onderscheiden van de meer inerte magnetische kracht die hij als een deel zag van de filosofie om voor eens en altijd de visie van Aristoteles te vernietigen. Gilbert betoogde dat elektriciteit en magnetisme van elkaar verschilden. Zo beweerde hij (ten onrechte) dat magnetische aantrekkingskracht bij hitte in stand bleef, terwijl elektrische aantrekkingskracht verdween. De eenheid van magnetische bewegingskracht of magnetisch potentiaal, 'de gilbert', werd naar hem genoemd.

image006_4.jpg

Gilbert W. De Magnete, magnetique corporibus, et de magno magnete tellure. 1600

1600

image008_4.jpg
 
Galilei (1564-1642) correleerde zijn eigen pols met de bewegingen van de slinger van een klok.

1603

image010_3.jpg
 
Santorio Santorio (1561-1636) beschreef het eerste toestel dat de pols telde, gebaseerd op de penduleklok van Galileo, het pulsilogium. Hij beschreef het gebruik ervan in zijn boek 'Methodi vitandorum errorum in arte medica '(Methoden om fouten te vermijden in de medische praktijk), dat in 1602 verscheen. Ook wordt hij vernoemd als de ontwerper van de klinische thermometer.

image011.jpg    image014_2.jpg 
     
 image016_2.jpgimage018_2.jpg

 
Eerste, tweede, derde en uiteindelijke ontwerp van Pulsilogium van Santorio

1603

image020_1.jpg
 
Hieronymus Fabricius of Acquapendente of Girolame Fabrici (1537-1619) bestudeerde de venen van de benen en noteerde dat ze kleppen hadden, die toelieten dat het bloed alleen naar het hart vloeit. Maar hij dacht dat ze een steunende dienst hadden in verbinding met de collaterale circulatie, in de veronderstelling dat zij het bloed afleiden naar vertakkingen kort bij de kleppen. Hij miste dus het inzicht van de belangrijkheid van de anatomische en experimentele feiten die hij zelf verzamelde. Hij was de voorganger en leraar van Harvey.

1604

image024.jpg
 
"Niets is of zal ooit meer significant zijn in de medische wetenschappen, en niet meer noodzakelijk voor ze, als de observatie van de pols", een citaat van Hercules Saxonia (1551-1607), ook Ercole Sassonia genoemd.

image022_1.jpg

Een schilderij uit 1604, waarop men Hercules Saxonia de pols ziet nemen van één van zijn patiënten.

1622

image001_1.jpg
 
De Italiaanse anatoom en chirurg Gaspare Aselli of Asellio (1581-1626) wordt aanzien als de ontdekker van het lymfesysteem. Aselli ontdekte, of herontdekte de lymfevaten en bestudeerde de betekenis van deze vasculaire structuren. Hij beschreef deze nieuwe vaten als 'venae albae et lacteae' (witte enlactische vaten) in zijn in 1627 postuum gepubliceerde 'De Lactibus sive Lacteis Venis', en dat net voor 'De motu cordis' van William Harvey gepubliceerd werd. Harvey scheen niet over Aselli's werk op de hoogte geweest te zijn.

image002_11.jpg

Aselli verrichtte in aanwezigheid van zijn vrienden Alexander Tadinus en Senator Septalius een vivisectie op een hond, die kort geleden gegeten had, en hij ontdekte iets op het middenrif en de darmen van het dier wat hij eerst voor zenuwen aanzag. Bij opensnijden ervan kwam er echter een wit, melkachtig vocht uit: Aselli herontdekte wat al bij Hippocrates als 'chylus' bekend stond en waarvan wij nu weten dat het vet is, opgenomen in de lymfevaten van de darmen. Op grond van het uiterlijk sprak Aselli van 'lactes' ('lac' is Latijn voor melk). Aselli kon zijn ontdekking niet zelf meer publiceren (hij overleed in 1626), maar deze taak werd door zijn twee vrienden overgenomen.

1628

WilliamHarvey.jpg
 
Slechts in 1616 kondigde William Harvey (1578-1657) aan dat Galen fout was in zijn bewering dat het hart constant bloed produceert. Integendeel, hij stelde dat er een beperkte hoeveelheid bloed was, die in één enkele richting door het lichaam circuleerde. Maar Harvey's ideeën botsten eerst op heel wat weerstand en scepticisme. Het idee dat bloed niet continu in het lichaam geproduceerd werd, deed twijfels rijzen over het voordeel van aderlatingen, een populaire medische praktijk in die tijd. Harvey was niet de enige maar ook niet de eerste om de ideeën van Galen in vraag te stellen. De Egyptenaren wisten al dat bloed door het lichaam vloeit en gebruikten bloedzuigers om, wat zij de bloedcorridors noemden, vrij te maken. Pas in 1628 publiceerde Harvey zijn inzichten in zijn thesis "De Motu Cordis et Sanguinis". Zijn conclusies worden in de volgende gevierde passage weergegeven: " En laat mij nu toe in het kort mijn inzicht over de bloedcirculatie te geven en om ze voor te stellen voor algemene aanvaarding. Vermits alle omstandigheden, zowel argumenten als zichtbare bewijzen, aantonen dat het bloed door de longen en het hart passeert via de hartboezem en de ventrikels, en het voor distributie naar alle lichaamsdelen wordt verzonden, waar het zijn weg zoekt in de venen en de poriën van het blees en dan via de venen vloeit vanuit de circumferentie aan iedere zijde naar het centrum, van kleinere naar grotere venen en via hen uiteindelijk afgeleverd wordt in de vena cava en de rechter hartboezem, en dit in zulke quantiteit, of in zulke flux en reflux heen naar de arteriën en herwaarts van de venen, gezien het niet mogelijk is aangevoerd worden door de opname en veel groter is dan nodig voor zuivere voedingsdoeleinden, is het absoluut noodzakelijk te concluderen dat het bloed in het dierlijke lichaam wordt voortgedreven in een cirkel, en in een staat van aanhoudende beweging is, dat dit de actie of functie is die het hart uitviert door middel van zijn pulsen, en dat het de enige en exclusieve einde van beweging en contractie is van het hart "
Meteen ook de eerste juiste omschrijving van de bloedsomloop. De kleppen in de aders brachten Harvey op het idee om het hart te vergelijken met een waterpomp, die een vloeistof in één bepaalde richting stuwt. Met het eenrichtingsverkeer van het bloed had Harvey de bloedsomloop juist omschreven. Door zijn aanpak begonnen meer wetenschappers het lichaam te zien als een machine waaraan dingen meetbaar zijn. Door het werk van Harvey kwam een eind aan het oude denkbeeld van Galenus dat het bloed heen en weer in de vaten beweegt.  Door een bloedvat af te binden, kunnen we aantonen dat het bloed van de slagaders naar de aders stroomt, reden om aan te nemen dat het bloed continu circuleert met het hart als aandrijfkracht...

de_motu_cordis.jpg

 
Een illustratie van William Harvey uit "De motu cordis" (1628). Figuur 1 toont gezwollen venen in de voorarm en de positie van de kleppen. Figuur 2 toont aan dat indien een vene centraal gemolken wordt en het perifere uiteinde samengedrukt, deze niet opnieuw gevuld wordt voordat de vinger wordt losgelaten. Figuur 3 toont dat bloed niet in de verkeerde richting kan gedwongen  worden.

1631

image002_7.jpg
 
Robert Fludd (1574-1637) schreef het Latijnse boek 'Pulsus', waarin hij, als mysticus, stelde dat heel wat aspecten van de menselijke fysiologie en ziekten beïnvloed werden door de wind, de sterren en de planeten. De pols bijvoorbeeld werd beïnvloed door de vier windstreken.

1637

Caspar Hofmann van Nurnberg (1571-1623), Veslingius (Vesling) van Padua (1598-1649), en J. Riolanus de Jongere, waren het helemaal niet eens met de nieuwe theorie van Harvey.  Een Jonge Engelse arts Roger Drake, ondersteunde in 1637 de theorie echter in zijn thesis aan de Universiteit van Leiden.

1646

image002_9.jpg

De Franse arts Lazarus Riverius (1589-1655) of Lazare Rivière, professor Geneeskunde aan de Universiteit van Montpellier, leek de eerste die endo-carditische beschadigingen beschreven heeft in zijn 'Opera Medica Universa'. Hij was lijfarts van Koning Louis XIII. Hij zag een patiënt die stierf na een korte ziekte, die blijkbaar hartfalen was.  Post-mortem vond hij ronde karbonkels, gelijk aan de substantie van de longen, die de aorta opening deels afsloten. Blijkbaar vond hij daarmee als eerste de woekeringen van infectieuze endocarditis, al werd die term pas jaren later gebruikt. Riverius ontdekte ook 'ruis' door zijn hand op de borst van de patiënt te plaatsen.

1646

image004_5.jpg

Dokter Sir Thomas Browne (1605-1682) is de eerste die het woord 'elektriciteit' gebruikte, dat hij omschreef als "Elektriciteit is een kracht om strohalmen of lichte voorwerpen aan te trekken en een vrij geplaatste naald te verplaatsen". Hij was ook de eerste die het woord 'computer' gebruikte, waarbij hij doelde op mensen die kalenders berekenden.

image006_5.jpg


1647

image004.gif
 
De Franse wetenschapper Jean Pecquet (1622-1674) toonde aan dat de lymfe die uit een reservoir kwam die men nu de 'citerne de Pecquet'noemt, uitkwam in de sub-claviculale vene zonder dat ze de lever passeerde. Hij ontdekte de loop van de lymfevaten, met inbegrip van het 'receptaculum chyli', of 'reservoir van Pecquet'. In 1653 publiceerde hij 'De Circulatione Sanguinis et Chyli Motu' en 'De Thoracicis Lacteis'.

1652

image005.jpg

De Deense arts, mathematicus en theoloog Thomas Bartholin of Thomas Bartolinus (1616-1680) is het best gekend omwille van zijn werk in de ontdekking van het lymfesysteem. In 1652 publiceerde hij de eerste volledige beschrijving van het menselijk lymfesysteem, Pecquet had het jaar voordien dat van de dieren gepubliceerd. 'De lacteis thoracis in homine brutisque nuperrime observatis'.

1652

image006_7.jpg

Johannes van Horne (1621-1670) studeerde Geneeskunde in Leiden, waar hij zijn leermeester Johannes Walaeus bijstond in diens onderzoekingen van de bloedsomloop. In 1653 publiceerde hij een afbeelding van de borst- of chylusbuis bij de mens. Deze was in 1647 door Jean Pecquet beschreven, maar de ligging van de menselijke borstbuis was nog niet bekend. Van Horne bestudeerde de gang van de chylus. Evenals Aselli geloofde hij, aansluitend bij de Galenische traditie, dat de melkachtige vloeistof die zich na voedselopname in de chylvaten bevond, werd opgenomen door de lever. Door experimenten op honden kon hij echter aantonen dat de 'chylus' uiteindelijk direct terechtkwam in het bloed, en wel via de 'ductus chyliferus'. Van Horne had nog geen inzicht in de samenhang van het chylussysteem met het lymfestelsel.

image007_1.jpg

Op de afbeelding is de borstbuis terug te vinden onder de letters HH en de verklaring van de plaat bij deze letters luidt in vertaling: "Nieuwe 'chylus' vervoerende buis door de lengte van de borstkas opstijgend.'

1653

image009_2.jpg
 
Olaus Rudbeck (1630-1702) een Zweeds Professor Geneeskunde en zelfs Rector Magnificus van de Universiteit van Uppsala, was één van de pioniers van de studie van lymfevaten. Volgens zijn landgenoten was hij de eerste die het lymfesysteem ontdekte en rapporteerde hij zijn bevindingen in de lente van 1652 aan Koningin Christina van Zweden. Nochtans publiceerde hij niets alvorens de herfst van 1653 en dat nadat Thomas Bartholinus zijn identieke bevindingen publiceerde.


<< 1550-15991660-1669 >>