Geschiedenis Cardiologisch onderzoek: 1500-1599
1553

De Spaanse arts, theoloog, geograaf en humanist Michael Servetus (1511-1553) of Michael Servet, leerling en nadien assistant van Vesalius, beschreef in zijn "Christianismi Restitutio" heel precies de pulmonaire circulatie, of kleine bloedsomloop. Servetus bemerkte de loop van de circulatie van de rechterzijde van het hart naar de linkerzijde via de longen en hij herkende eveneens dat de uitwisseling van veneus naar arterieel bloed in de longen gebeurde en niet in de linker ventrikel. Niet zozeer het herkennen van de pulmonaire circulatie, maar wel de ontdekking van de respiratoire veranderingen in de longen vertegenwoordigen de aanspraak van Servetus om een pionier te zijn in de fysiologische wetenschappen. Door zijn controversiële aanpak werd Servet, zowel door de Katholieken als de Calvinisten, ter dood veroordeeld. Op 25 oktober 1553 werd hij, amper 44 jaar oud, levend verbrand, met een exemplaar van zijn "Restitutio Christianismi" aan zijn voeten. Genève had geen professionele beul. Bij de executie ging van alles mis en het sterven duurde lang.
1554
In zijn zeer lijvig boek 'Universa Medicini', waarvan liefst 30 edities bestaan, beschreef Jean Francois Fernel (1497-1558) het eerste rapport ooit over 'endocarditis'. De Fransman introduceerde ook de term 'fysiologie' om de studie van de lichaamsfuncties te bestuderen. Hij was ook de eerste die het 'spinaal kanaal' beschreef.
1555

Joseph Struthius (1510-1568), lijfarts van de Hongaarse koningin Isabella en van de Poolse koning Sigismund Augustus en docent aan de Universiteit van Padua, toonde voor het eerst een grafische presentatie van de pols en introduceerde het concept van aan toestel dat de pols mechanisch toonde. Hij was de eerste die de arteriële druk mat, door externe gewichten op de pols te leggen. Struthius' faam was zo groot dat hij aan het ziekbed werd geroepen van de Turkse Sultan en de Spaanse koning Philip II. In 'Sphygmicae artis iam mille ducentos annos perditae et desideratae Libri V', zijn monografie van 366 pagina's beschreef hij zijn ervaringen met de pols. Zijn vivisecties lieten hem toe om een voorstel te doen over de onderlinge afhankelijkheid van het vasculaire gedrag en de zenuwen, of wat wij nu omschrijven als de neurovasculaire reflex. Het werk bestond uit vijf boeken met de volgende onderwerpen: types van pols, hun diagnose, hun etiologie en hun prognostische waarde. Hij introduceerde na de Grieken de definitie van de pols: 'De pols is een functie bij het begin van het hart, wanneer arteriën in beweging zijn door de diastole en systole….' Hij beschreef zeer precies de onderzoeksmethode van de pols door palpatie, maar het innovatieve kenmerk is het gebruik van lichte voorwerpen voor het observeren van de bewegingen van de arteriën waarop ze lagen. Hij toonde ook een nieuwe methode voor de grafische illustratie van de polsgolf en nieuwe meer gedetailleerde beschrijvingen van sommige polstypes. Hij maakte de onderverdeling eenvoudig en complex. De beschrijving van het eerste type was gebaseerd op de omvang van de systole, de kwaliteit van de beweging, de lengte van de pause, de kracht van de pols en de kwaliteit van de arterie. Alles samen onderscheidde hij 15 types van eenvoudige pols. Hij beschreef ook de invloed van warmte op de pols.
1559

Matthieu Realdo Columbo (1516-1559) beschreef de circulatie van het bloed door de longen. Een studie van zijn geschriften toont duidelijk aan dat hij geen echte kennis had van de circulatie, enkel een glimp van de manier waarop het bloed van de rechter naar de linker hartzijde passeerde. In zijn werk is er een schets van de pulmonaire circulatie, maar het is duidelijk dat hij het mechanisme van de kleppen niet begreep, zoals Vesalius bijvoorbeeld wel deed. Wat de systemische circulatie betreft begreep hij alleen dat er een oscillatie van het bloed vanuit het hart naar het lichaam was en van het lichaam naar het hart. Verder hield hij de gedachte van Galen hoog dat alle venen uit de lever voortkwamen en hij ontkende zelfs de musculaire structuur van het hart. Hij had ook zware disputen met Vesalius en Fallopio en in 1555 werden hij en Vesalius bittere rivalen. Colombo vermeldde in zijn lessen heel wat fouten die Vesalius zou gemaakt hebben. Hierop ridiculiseerde Vesalius Colombo in het openbaar, hij noemde hem een "Ignoramus" en zei 'zijn povere kennis over anatomie leerde hij dan nog van mij'. In 1559, kort voor zijn dood, publiceerde Colombo zijn enig werk 'De Re Anatomica', waarin hij onder andere ook de clitoris beschreef als "amor Veneris, vei dulcedo appelletur" (Het zou de liefde of de zoetheid van Venus moeten genoemd worden). Later bleek dat heel wat van zijn ontdekkingen eigenlijk toe te schrijven zijn aan zijn student Gabriel Falloppio, vooral dan die beschrijving van die clitoris.
1561

Gabriel Falloppio (1523-1562) publiceerde zijn eigen boek 'Observationes Anatomicae' in 1561 en claimde dat hij dat boek vier jaar eerder geschreven had. Ook dit is weinig waarschijnlijk omdat in het werk heel wat verwijzigen zijn naar 'De Re Anatomica'. Laten we het er maar bij houden dat er tussen leraar en student heel wat na-ijver bestond.
1570
De anatomie van het hart werd ook onderzocht, beschreven en getekend door Julius Caesar Aranzi of Arantius (1530-1589), van wie de naam geassocieerd is met de fibro-cartilagineuse verdikkingen aan het vrije einde van de sem-iulnaire kleppen (corpora Arantii). Hij werd toegelaten aan de Universiteit van Padua, waar hij zijn eerste ontdekking deed op 19-jarige leeftijd: de beschrijving van de musculus elevator van het bovenste ooglid. In 1556 haalde hij zijn doktersdiploma aan de Universiteit van Bologna en op 27-jarige leeftijd werd hij tot lesgever Geneeskunde en Chirurgie benoemd. In 1570 werden de twee specialisaties gescheiden en benoemde men hem tot Professor Anatomie, wat hij tot aan zijn dood 33 jaar lang doceerde. Na het bestuderen van de anatomische relaties van de caviteiten van het hart, de kleppen en de grote vaten, bevestigde hij de inzichten van Realdo Columbo over de weg die het bloed volgde van de rechter- naar de linkerzijde van het hart.
1574
In 1574 beschuldigde G.B. Carcano, een student van Falloppio, Colombo formeel van plagiaat.
1580

Geronimo Mercuriale (1530 - 1606) formuleerde het concept van syncope en toonde haar connectie met een trage polsslag aan: "Ubi pulsus sit rarus semper expectanda est syncope".
1587

Li Shizhen (1518-1593) uit de Ming-dynsatie was één van de grootste artsen en apothekers in de Chinese geschiedenis. Zijn belangrijkste bijdrage was de Ben Cao Gang Mu, een boek dat 1895 medicijnen in detail beschreef (Chinese geneeskunde) met 1100 illustraties en 11.000 voorschriften.

Maar daarnaast publiceerde Li Shizen nog elf andere boeken waaronder Binhu Maixue een studie over de polsslag, met een beschrijving van 27 verschillende soorten pols.
1593

Andrea Cesalpino (1519-1603) leverde een belangrijke bijdrage aan de ontdekking van de circulatie en in Italië beschouwt men hem als de werkelijke ontdekker. Cesalpino kende de pulmonaire circulatie. Nochtans toont een diepgaande studie van zijn geschriften aan dat Celsalpino verder gepenetreerd was in het geheim van de bloedcirculatie dan eender welk andere fysioloog voor William Harvey, toch had hij nog geen diepgaande kennis van de volledige loop van het bloed. Buiten het werk 'Quæstionum peripateticarum' publiceerde hij ook 'Quaestionum medicarum libri duo'. Hij toonde wel aan dat wanneer een vene afgebonden is, ze boven de afbinding gevuld is en niet eronder.In 'Quaestiones Medicae' schrijft hij: 'De longen trekken het warme bloed vanuit de rechter ventrikel van het hart via een vene zoals een arterie, en sturen het terug via anastomosis naar de veneuze arterie (pulmonaire vene), die loopt naar de linker ventrikel van het hart, en lucht, wordt gelijktijdig overgebracht via de kanalen van de aspera arteria (trachea en bronchiale buizen) die zich uitstrekken kort bij de veneuze arterie maar niet communiceren met de opening zoals Galen dacht, temperen met enkel één aanraking. Deze circulatie van het bloed van de rechter hartventrikel via de longen naar de linkerhartventrikel komt exact overeen met wat blijkt uit dissectie. Daarom zijn er twee recipiënten die eindigen in de rechter ventrikel en twee in de linker. Maar van die twee is er slechts één die binnenlaat, de andere laat uit, de membranen (kleppen) zijn overeenkomstig samengesteld." Cesalpino hield nog steeds vast aan het oude idee dat er een efflux en reflux van het bloed was van en naar het hart, en hij haalde de noties door elkaar dat de venen voedende materie vervoerden, terwijl de arteriën de vitale levenskrachten naar de weefsels brachten. Het is blijkbaar zo dat hij er nooit aan gedacht heeft dat het hart een samentrekkend en stuwend orgaan is en hij schreef de dilatatie toe aan "een gisten van de spirit", terwijl de contractie, of zoals hij het formuleerde, de "collaps" te wijten was aan de aanwending van de voedingsbestanddelen door het hart. Terwijl hij zich een communicatie voorstelde tussen het einde van de arteriën en het begin van de venen, blijkt hij niet gedacht te hebben aan een directe bloedstroom van de ene naar de andere. Hij kan dus moeilijk beschouwd worden als de echte ontdekker van de bloedcirculatie.

Carlo Ruini (1530 - 1598) was een anatoom gespecialiseerd in paarden, maar zijn beschrijving van de bloedcirculatie bleek zo vernieuwend en precies dat ze een essentiële stap betekende voor de werken van William Harvey
