Geschiedenis Cardiologisch onderzoek: 1200-1549
1242

Ibn Al Nafis (1213-1288) beweerde dat de hartspier voeding kreeg uit de arteriën die er doorheen liepen, en niet direct uit het bloed van de hartkamer zoals Galen beweerde. Hij beschreef zijn bevindingen in het boek "Sharh Al Tashrih" vierhonderd jaar voor Harvey "De Motu Cordis" publiceerde. Ibn al-Nafis was de eerste die de pulmonaire, de capillaire en de coronaire circulatie beschreef, waardoor hij beschouwd wordt als de vader van de circulaire fysiologie, maar ook als de grootste fysioloog uit de Middeleeuwen. Hij stelde dat de linker en de rechter ventrikel van elkaar gescheiden waren en samen met het hart en de longen de pulmonaire circulatie (kleine bloedsomloop) vormden. Het bloed ging vanuit de rechter hartkamer naar de longen via de arteriële vene (pulmonaire arterie). In de longen werd het bloed in twee gedeeld, dun bloed filterde door de poriën van de pulmonaire arterie en dik bloed bleef in de longen als voedsel. Het dunne bloed mengde zich met lucht uit de trachea en ging via de wand de vene-achtige arterie in (pulmonaire venen). Het dunne met lucht gemengde bloed bereikte de linker hartkamer, het centrum waar vitale spirit gevormd werd.. De spirit bewoog vanuit de linker hartkamer naar de aorta en de rest van de arteriën naar de weefsels. Hij suggereerde dus dat bloed van de arteriën naar de venen bewoog door de wanden in de longen.
1260

Ibn Al Quff (1233-1286), , een student van Ibn Al Nafis, verklaarde in één van zijn boeken het bestaan van capillairen. Dit werd pas bevestigd in 1661, toen Malphighi via de microscoop de capillairen zag.
1315

Mondino dei Liuzzi (1275-1326), een Italiaans Professor en pionier in de Anatomie gaf een opmerkelijk precieze beschrijving van het hart, in zoverre dat hij blijkbaar ook een rudimentaire beschrijving gaf van de bloedcirculatie. Nochtans herhaalde hij de oude bewering dat de linker ventrikel pneuma of lucht zou bevatten, die uit het bloed kwam.
1363
Thomas van Wroclaw (1297-1378), bisschop van het Sarepta, studeerde Geneeskunde aan de Universiteiten van Montpellier, Salerno, Padua en Bologna. Hij schreef een historisch werk op het vlak van cardiologie, 'De syncopi et debilitate cordis', waarin hij de palpitaties beschreef evenals de syncope. Hij stelde dat de palpitaties (trillingen) de onvolkomenheid van het hart weerspiegelden en zeer dikwijls in syncope uitmondden. Volgens hem was een syncope een zeer ernstige toestand die tot de dood kon leiden.
1450

Nicolas van Cusa (1401 - 1464) introduceerde het concept van een directe relatie tussen de polsmeting en een ziekte.
1506

De Italiaanse schilder en onderzoeker Leonardo da Vinci (1452-1519) voerde uitvoerige dissecties uit op de mens en maakte waarheidsgetrouwe illustraties. Zijn uiteindelijk vergevorderde kennis van de anatomie van het menselijk lichaam leerde Da Vinci zichzelf aan. Het is bekend dat hij in het holst van de nacht de lichamen van pas gestorven mensen uit hun graven stal. Vervolgens ontleedde hij deze lichamen thuis. Volgens hem was het hart een dikke, holle spier is, die net als alle andere spieren door een slagader wordt gevoed. Een totaal andere kijk op het hart, dat vanaf de tijd van Galenus nog steeds als mystiek orgaan werd gezien. Tussen 1506 en 1510 bestudeerde da Vinci het hart uitvoerig, hij gebruikte daarvoor vooral het runderhart.

Leonardo da Vinci's tekening van het hart in Quaderni dÁnatomia IV.
1530

Jacobus Berengarius van Carpi (1470-1530) onderzocht de structuur van de hartkleppen.
1540

Bartholomeus Eustachius (1500-1574) was een beroemde Italiaanse anatoom. Rond 1540 ging hij werken als arts. Al snel werd zijn talent opgemerkt door de graaf van Urbino, die hem als lijfarts vroeg. Hij kreeg een academische positie aan de medische faculteit in Rome en kreeg hierdoor de kans kadavers te ontleden en te bestuderen. De Buis van Eustachius is naar hem genoemd. Hij werd vooral bekend omdat hij de anatomie van het hart onderzocht, beschreef en tekende.
1543

De Vlaamse anatoom Andreas Vesalius (1514-1564) omschreef als eerste wetenschapper op een juiste manier de bouw van het hart. In 1543 bracht hij zo de "De Humani Corporis Fabrica" uit, een boek met gedetailleerde tekeningen van Italiaanse kunstenaars, Hiermee kwam een eind aan de verkeerde denkbeelden van Galenus, die veertienhonderd jaar lang hadden standgehouden. Vesalius introduceerde de term bloedsomloop. Hij bepaalde de positie van het hart in de borstkas. Hij bestudeerde de structuur ervan, wees op de fibreuze ringen aan de basis van de ventrikels en toonde aan dat de wand van de ventrikels bestond uit vezellagen met fibreuze ringen en beschreef drie soorten lagen: recht of verticaal, schuin en circulair of dwars. Vanuit de plaatsing van de vezels bedacht hij het mechanisme van contractie en relaxatie van het hart. Hij veronderstelde dat de relaxatie, of diastole, vooral veroorzaakt werd door de longitudinale vezels, die zo samentrokken dat ze de top naar de basis trokken en dat daardoor de zijkant uitstulpten. De contractie, of systole, was te wijten aan het samentrekken van de schuine of dwarse vezels. Hij toonde aan dat de poriën van Galen, in het septum tussen de ventrikels niet bestonden, zodat er geen communicatie kon zijn tussen de rechter- en de linkerzijde van het hart, behalve bij de pulmonaire circulatie. Hij onderzocht eveneens minutieus de inwendige structuur van het hart, hij beschreef zeer precies de werking van de kleppen, de 'columnae corneae' en de 'musculi papillares'.

1545
De Poolse wetenschapper Adalbert (Wojciech) Nowopolski (1505-1559) publiceerde een handleiding over anatomie, 'Fabricatio hominis', waarin hij verschillende onderzoeken aanhaalde, o.a. die van Andreas Vesalius. Nowopolski's werk bevatte heel wat fragmenten over het hart, de bloedvaten en de fysiologie van de circulatie.
1547

Een belangrijke leerling van Vesalius was Gabriel Fallopius (1523-1562), die de anastomosen van de bloedvaten bestudeerde, zonder daarvoor inspuitingen te gebruiken. Die methode werd pas een eeuw later uitgevonden door Frederick Ruysch. Op 24-jarige leeftijd werd Fallopius tot Professor benoemd in het Italiaanse Ferrara.
1547

João Rodrigues de Castelo Branco, beter gekend als Amato Lusitano of Amatus Lusitanus (1511-1568), was een vooraanstaande Portugese Joodse arts. Zoals bij Herophilus, Galen, Ibn al-Nafis, Michael Servetus, Realdo Colombo en William Harvey wordt ook aan hem de ontdekking van de bloedcirculatie toegeschreven. Wel ontdekte hij de functie van de kleppen in de bloedcirculatie tijdens een lezing waar hij, in aanwezigheid van heel wat studenten en de vermaarde anatoom Giambattista Canano (1515-1579), 12 lijken dissecteerde. In de Centuria I beschrijft Lusitanus hoe hij tijdens die dissectie lucht blies in het onderste deel van de azygos en aantoonde dat de vena cava niet opgeblazen werd. Omwille van de kleppen kon de lucht immers niet ontsnappen en dus zeker het dikkere bloed niet. Deze ontdekking sprak het conventionele geloof uit die tijd tegen dat bloed vanuit het hart naar de arteriën en de venen stroomde. Per vergissing werd deze ontdekking later toegekend aan Giambattisita Canano.
