Chronologische geschiedenis van het niet-invasieve cardiovasculaire onderzoek
Terug in de tijd, op zoek naar de geleerden die deze onderzoeksmethoden ontdekten, toepasten en verbeterden:
3000vC
Op Egyptische hiëroglyfen werden perifere pols en actie van de hartslag beschreven. Ook de eerste vermeldingen van symptomen van 'angina pectoris' en de consequenties daarvan. Er is echter nog steeds twijfel of de auteurs de symptomen van 'angina pectoris' of van een 'myocard infarct' beschreven.
2600vC

Imhotep (2650-2600vC), vizier (eerste minister) van farao Djoser, was ook architect, raadgever van de farao, auteur van medische werken, hogepriester van Ptah en Ra en medicus. Door die brede ontwikkeling wordt hij beschouwd als het eerste genie ter wereld. Imhotep werd de schutspatroon van de geneeskunde en de stichter van de Egyptische Geneeskunde. Hij blijkt ook de auteur te zijn van de zogenaamde Edwin Smith papyrus, die anatomische observaties bevatte, beschrijving van kwalen en behandelingen. De overgebleven papyrus is waarschijnlijk rond 1700 vC geschreven, maar blijkt een copie te zijn van de originele tekst die 1000 jaar ouder is. Imhotep propageerde het voelen van de pols als één van de belangrijkste onderzoeken.
2500 vC

Notities over de pols werden gevonden in de Nei Ching, dè klassieker over interne geneeskunde en beschouwd als de bijbel van de traditionele Chinese geneeskunde, opgedragen aan Huang Ti, gekend als de Gele Keizer van China (boven). De auteur van het werk is onbekend gebleven.
Het werk bestaat uit twee delen, Su Wen en Ling Shu. Het eerste is een dialoog tussen Huang Ti en zijn minister Qibo over levensproblemen, het andere is een beschrijving van de medische fysiologie, anatomie en acupunctuur. Bij de diagnose van een ziekte waren twee specifieke en krachtige aanpakken belangrijk: het voelen van de pols en het bekijken van de persoon. De Huang-ti Nei-ching specifieerde 12 vaten of leidingen die onderling met elkaar verbonden waren.. Door het voelen van de pols (mo) op verschillende punten van het lichaam, kon specifieke informatie onderscheiden worden over de locatie van de ziekte en haar waarschijnlijke ontwikkeling. Zo werden meer dan 28 verschillende soorten mo bepaald die ontdekt konden worden door het voelen van verschillende punten op de pols, waarvan de belangrijkste: drijven (fu) versus zinken (chen) en glad (hua) versus ruw (se). Het bekijken (se) speelde eveneens een cruciale rol in de Chinese geneeskunde door het aanschouwen van kleuren (wangse), die de natuur en de progressie van de ziekte konden openbaren. Tinten van verschillende kleuren op het lichaam van een persoon leverden verdere informatie op voor de diagnose. Volgens de overleving zou Huang Ti 100 jaar geleefd hebben en 25 kinderen op de wereld hebben gezet, waarvan 14 zonen.

Een mooie schilderij dat toont hoe Chinese artsen de pols namen
2000 vC
“Als een vrouw een kind baart met een open hart en zonder huid, zal het land ellende lijden“. Een misschien wat eigenaardige vertaling van een tekst op een Babylonische kleiplaat, maar die blijkbaar een eerste beschrijving zou kunnen zijn van congenitale hartziekte, die refereert naar ‘ectopia cordis’.
1600vC

In 1862 ontdekte Edwin Smith (1822-1906) in Egypte, papyrusrollen die dateerden van 1600 vC, waarin verschillende referenties genoteerd staan over de kunst van het palperen en uiteraard ook over de pols. Hieruit bleek dat de oude Egyptenaren de oorsprong van de pols kenden evenals de pompende functie van het hart. Zij waren de eersten om te stellen dat lucht en bloed in het hart kwamen, en dat het hart ze daarna naar de rest van het lichaam verdeelde. Zoals hierboven getoond werd de pols vermeld op de papyrusrollen die Smith vond. De vondst van Edwin Smith beschrijft de volgende observaties over de pols en zijn relatie met de hartslag: '... het onderzoek is net alsof iemand een zekere hoeveelheid telt met een bushel, of iets telt met de vingers ... zoals het meten van de kwaal van een man met als doel de actie van het hart te kennen. Er zijn kanalen in het hart naar elk van de ledematen. Als nu de priesters van Sekhmet of eender welke arts zijn hand of zijn vingers legt op het hoofd, de twee handen, de twee voeten, dan meet hij het hart, omdat de pulsaties te voelen zijn in ieder lidmaat. Het meten van een hart heeft als doel indicaties te herkennen die erin zijn opgetreden, met de bedoeling te begrijpen wat er juist gebeurde.' De Therapeutic Papyrus of Thebes meldden: 'Indien de arts zijn vinger plaatst op het hoofd, de nek, de armen, de voeten of het lichaam, overal zal hij het hart vinden, want het hart leidt naar ieder lidmaat en klinkt in de vaten van ieder lidmaat.'
1500 v. C

Nadien werden nog andere ontdekkingen gedaan, o.a. de "Therapeutic Papyrus Of Thebes" van 1552 vC en 'Ebers Papyrus' van 1550 vC. Dit laatste werd in 1873 in Luxor gekocht door Georg Ebers (1837-1898). Het is een rol van 110 pagina's die 20 meter lang is en die 700 magische formules en remedies bevat. Ze bevat een 'behandeling van het hart' en noteert dat het hart het centrum van de bloedvoorziening is, met vaten die zijn aangehecht aan elk lid van het lichaam. De Egyptenaren kenden de nieren blijkbaar nog niet en maakten van het hart het verzamelpunt van vaten die alle lichaamsvloeistoffen vervoerden: bloed, tranen, urine en sperma.

De beschrijving van in 'Ebers Papyrus' luidt als volgt: 'Om de bewegingen van het hart te kennen en om het hart te kennen. Vanuit het hart komen vaten die naar het hele lichaam gaan. Indien de arts zijn vinger legt op het hoofd, de nek, de hand, het epigastrium, de arm of het been, zal de beweging van het hart, dat door de vaten naar alle ledematen stroomt, hem overal raken. Wanneer het hart ziek is wordt het werk slecht uitgevoerd, de vaten die voortkomen uit het hart worden inaktief zodat men ze niet kan voelen. Indien het hart trilt, weinig kracht heeft en verflauwt, is de ziekte aan het vorderen. Indien men een persoon op ziekte onderzoekt in zijn hartstreek en hij pijn heeft in zijn armen, in zijn borst en aan één zijde van de hartstreek, wordt hij met de dood bedreigd." De oude Egyptenaren ontdekten het verband tussen hart en bloedvaten, zij dachten dat in het lichaam een systeem van kanalen moest zijn, net als de irrigatiekanalen langs de Nijl. Die kanalen zorgden voor transport van bloed en voeding door het lichaam. Ook waren zij ervan overtuigd dat het hart tot het vijftigste levensjaar steeds groter werd, om vervolgens in hetzelfde tempo kleiner te worden. Daarom kon een mens nooit ouder worden dan honderd jaar. Dat verkeerde denkbeeld kregen ze door naar het hart van mummies te kijken, maar na de dood droogt het hart uit en wordt het kleiner.
500 vC

Sushruta was een Indisch chirurg en leraar van succes had in de Indische stad Kashi.Hij was de auteur van Sushruta Samhita, dat heel wat gedetaillleerde referenties bevat over ziekten en medische procedures. Het bevat 184 hoofdstukken, en beschrijvingen van 1.200 ziekten, 700 medische planten, 64 bereidingen uit minerale bronnen en 57 bereidingen op basis van dierlijke bronnen. Zo beschreef hij o.a. diabetes als een ziekte gekarakteriseerd door de ontlasting van een grote hoeveelheid urine, zoet van smaak. Hij stelde ook dat diabetes vooral bij obese mensen voorkomt, die een zittend leven leiden en benadrukte de rol van fysieke activiteit voor de verbetering van diabetes. Hoewel de ontdekking van de bloedcirculatie toegeschreven wordt aan William Harvey, is het toch interessant om weten dat Sushruta de sruktuur van het hart kende en zijn rol in de circulatie van 'vitale vloeistoffen' door 'kanalen'. Zijn helder verslag over 'angina' ("hritshoolla", wat hartpijn betekent) is schitterend, al gebruikte hij de juiste term niet. Hij beschreef er de essentiële componenten van, zoals de plaats, de natuur verergerende en bevrijdende factoren. Volgens hem was angina borstpijn die precordiaal is, tijdelijk, na zware inspanning, emotioneel, met een brandend gevoel en verlicht door rust. Dit soort pijn linkte hij ook aan obesitas en daarnaast beschreef hij ook de symptomen van hypertensie. Opmerkelijk; Sushruta beschreef deze aandoeningen zo'n 150 jaar voor Hippocrates en hij kwam tot zo'n perfecte conclusie zonder hulp van biochemische of beeldprocedures.
500vC

Bian Que was de eerst gekende arts die acupunctuur en polsdiagnose gebruikte. De legende wil dat een oude man zo dankbaar was over de behandeling van Bian Que, dat hij hem een pak kruiden schonk die hij in water moest koken. Nadat hij het brouwsel gedronken had was hij in staat doorheen het menselijk lichaam te kijken, waardoor hij een excellente diagnosticus werd. Hij blonk ook uit in het nemen van de pols en het toepassen van acupunctuur. Bian Que verdedigde de 4-stappen diagnose: "Kijken (naar de tong en haar uitzicht), luisteren (naar de stem en het ademhalingspatroon), ondervragen (over de symptomen) en afnamen (van de pols)". Nog volgens de legende voerde hij een dubbele harttransplantatie uit op de krijgslieden Gong Hu en Qi Ying.
500vC

De Griek Alcmaeon was een pionier op vlak van anatomie en hij ontdekte vermoedelijk de 'Buis van Eustachius'. Hij stelde dat slagaders lucht vervoerden en dat hersenen een belangrijke rol hadden in het bewustzijn. Hij was één van de eersten die dode mensen opensneed om hun bouw te bestuderen. Zo ontdekte hij dat er twee verschillende soorten bloedvaten zijn: de slagaders en de aders. Tijdgenoten van Alcmaeon hadden al ontdekt dat het hart een spier is. Alcmaeon stelde vast dat na de dood de slagaders leeg zijn, waardoor dacht hij dat ook tijdens de slaap de bloedstroom door de slagaders stopt.
490vC
In de klassieke oudheid dacht men dat het lichaam vier vloeistoffen bevat: bloed, slijm, gele en zwarte gal. Bij ziekte zou volgens Griekse artsen het evenwicht tussen die vloeistoffen verstoord zijn. Aderlaten zorgde voor het wegstromen van het teveel aan bloed, waardoor het evenwicht hersteld werd. In werkelijkheid leed de patiënt aan bloedverlies en werd hij niet beter. Het aderlaten werd toegepast tot in de negentiende eeuw.
460vC

De Griekse arts Hippocrates (460 - 375 vC) deed als eerste onderzoek naar ziektebeelden van het hart. Hij beschouwde het hart als een orgaan dat ziek kon worden en ontdeed daardoor de geneeskunde van mystiek en bijgeloof. Hiermee legde hij de basis voor de wetenschappelijke benadering van de geneeskunde. Hippocrates legde geen verband tussen het hart en de bloedvaten. Daarom dacht hij dat de hartslag die we in de polsslagader voelen door het bloedvat zelf wordt veroorzaakt. Een van de bekenste statements van Hippocrates: "Zij die lijden aan een regelmatig en sterk flauwvallen, zonder aanvaardbare reden, sterven plots ". En een ander: "Gebruik uw verstand om te genezen in plaats van farmaca."
427 vC

De Griekse wijsgeer Plato (427-347 vC) stelde vast dat het hart regaeerde op inwendige en uitwendige prikkels, waarbij hij het hart omschreef als een soort alarmcentrale. Volgens Plato zorgden de longen voor afkoeling van het opspringende hart als het door hartstochten opgewonden was.
384 vC

De Griekse wijsgeer Aristoteles (384-322 vC) zag het hart als centrum van het hele organisme, als de bron van onze lichaamswarmte en de zetel van de zintuigen. De hersenen waren volgens Aristoteles van ondergeschikt belang. Ze hadden zelfs geen bloedtoevoer en waren koud en ongevoelig. De hersenen dienden uitsluitend om slijm af te scheiden als koeling voor het hart.
340vC

Een tekening van de bloedsomloop door Praxagoras, hij beweerde dat de venen twee stammen hadden.
Praxagoras van Cos, de leermeester van Herophilus van Chalcedon, was in Griekenland de eerste die de pols van zieken voelde om hun gezondheidstoestand waar te nemen. Er bestonden geen horloges, waarschijnlijk werden er muzikale en poëtische ritmes gebruikt. Zowel de vader als de grootvader van Praxagoras waren arts. Praxagoras bestudeerde de anatomie van Aristoteles (384-322 vC) en verbeterde die door onderscheid te maken tussen arteriën en venen. Hij aanzag de arteriën als luchtbuizen, zoals de trachea en de bronchiën, die 'pneum' vervoerden, de mysterieuze levenskracht. De arteriën brachten de levensadem van de longen naar de linkerzijde van het hart en dan via de aorta naar de arteriën van het hele lichaam. Hij geloofde dat arteriën voortkwamen uit het hart, maar dat venen uit de lever kwamen. De venen vervoerden het bloed, dat ontwikkeld werd uit verteerd voedsel, naar de rest van het lichaam. De combinatie van bloed en pneuma ontwikkelde hitte. Als één van de lichaamsvochten als dik en koud slijm ophoopte in de arteriën zou dit verlamming veroorzaken. Hij geloofde ook dat arteriën de kanalen waren waardoor de vrijwillige beweging gegeven werd aan het lichaam en dat de oorzaak van epilepsie het blokkeren van de aorta was door diezelfde opeenhoping van slijm. Zowel Aristoteles als Diocles en Praxogoras hielden vol dat het hart het centrale orgaan van intelligentie was en het centrum van de gedachte. Praxagoras verschilde van de anderen doordat hij geloofde dat het doel van de ademhaling het voorzien van voedsel was aan de psychische pneuma, eerder dan het afkoelen van de innerlijke hitte. De inzichten van Praxagoras hadden zeer veel invloed op de ontwikkeling van de fysiologie. Gezien het concept van zenuwen nog niet bestond, verklaarde Praxagoras de beweging van de arteriën aan het feit dat arteriën smaller en smaller werden en dan verdwenen. Deze verdwijning veroorzaakte beweging, iets wat nu wordt toegeschreven aan zenuwen. Hoe dan ook speculeerde hij over de rol van de beweging en was hij tevreden dat hij het antwoord had gevonden over het centrum van vitaliteit en energie. Zijn leerling Herophilus ontdekte de sensorische en motorische zenuwen. Praxagoras was geïnteresseerd in de pols en was de eerste die de aandacht trok op de belangrijkheid van de arteriële pols bij een diagnose. Hij hield vol dat de arteriën door zichzelf pulseerden en onafhankelijk waren van het hart. Herophilus weerlegde deze doctrine in zijn verhandeling "On Pulses". Galen van zijn kant bekritiseerde Praxagoras omdat hij te weinig aandacht besteedde aan de anatomie. Hij suggereerde dat Praxagoras via dissectie nooit aan deze theorieën gekomen was. De gedachten van Praxagoras zwaaiden eeuwenlang de scepter. 500 jaar na zij dood bijvoorbeeld, dachten velen nog altijd dat de arteriën geen bloed bevatten maar lucht.
340vC
Aristoteles (384 - 322 vC) zag het hart als "de bron van alle beweging, gezien het hart de ziel linkt met levensorganen". Opmerkelijk precies als beschrijving van cardiovasculaire fysiologie.
300vC

Herophilos van Chalcedon (335vC-280vC) was een Grieks geneesheer die als eerste een waterklok gebruikte om de menselijke pols te tellen en subtiele analyses van ritme en hartslag maakte. Door het gebruik van muzikale modellen bouwde hij een ritmisch polslexicon op, dat zo'n vijftien eeuwen standhield, tot Harvey in 1628 de bloedcirculatie aantoonde . Hij was een leerling van Praxagoras en werkte in Ptolemaïsch Egypte waar de Diadochen een politiek van wetenschappelijke en culturele vooruitgang voerden.

Herophilus wordt beschouwd als de grondlegger van de anatomie en de stichter van de Alexandrijnse school voor geneeskunde. Hij was de eerste die systematisch dissecties uitvoerde op mensen. Ook vivisecties, want de autoriteiten gaven hem toelating experimenten uit de voeren op levende veroordeelden. Omwille van zijn ontledingen op mensen kreeg hij vaak een negatief beeld. Zo beschouwde de christelijke auteur Tertullianis hem als een menselijke beul die de menselijke soort haatte uit liefde voor de kennis. Galenus verwees ook vaak naar hem en ook Celsus had een vrij positief beeld over hem. Van zijn negen werken is niets bewaard gebleven, maar via derden weten we toch heel wat over zijn onderzoekingen. Herophilus beweerde ook dat de pols aan de evenaar drie tot viermaal hoger dan die aan de Noordpool.

De waterklok van Herophilos
294 vC
De Egyptenaar Erasistratus van Ceos (305-250 vC) vergeleek de werking van het hart met dat van een blaasbalg van een smid. Door samentrekking van het hart wordt bloed weggestuwd, net als het uitblazen van lucht bij het induwen van een blaasbalg. Die omschrijving benaderde voor het eerst de juiste werking van het hart als pomp. Velen beschouwen Erasistratus als de eerste specialist cardiale arritmieën. Deze titel werd hem toegekend nadat hij Antiochus genas, de zoon van Seleucus I Nicator. Tijdens het meten van de hartpalpaties observeerde Erasistratus de reacties van de zieke Antiocus ten opzichte van zijn bezoekers. Het merkte op dat Antiochus hartkloppingen ontwikkelde telkens zijn jonge, beeldschone stiefmoeder Stratunice van Syrië hem bezocht. Hieruit besloot Errasistratus dat de liefde van Antiochus voor zijn stiefmoeder hem ziek maakte. Nadat Erasistratus met angst en beven de koning over zijn bevindingen had verteld, liet deze zijn vrouw met zijn zoon trouwen. Het werk van Erasistratus was op verschillende vlakken erg vooruitstrevend: beschrijving van het hart met vooral aandacht voor de hartkleppen die naar hem zijn genoemd. Door het begrijpen van het hart en de bloedvaten, kwam Erasistratus heel dicht bij de bloedcirculatie, maar hij maakte enkele cruciale fouten. Hij bevestigde dat het hart dienst deed als pomp, waarbij de arteriën gedilateerd werden en hij legde ook de werking van de hartkleppen uit. Zijn theorie was dat zowel de arteriën als de venen ontsproten uit het hart, en tenslotte verspreid werden in, voor het oog onzichtbare, fijne capillairen. Hij geloofde echter ook dat de lever het bloed vormde en dat naar de rechter hartzijde vervoerde, waarna het in de longen gepompt werd en van daaruit naar alle lichaamsorganen. Hij geloofde eveneens dat pneuma, een vitale levenskracht, vanuit de longen naar de linker hartzijde werd gebracht, dat op zijn beurt de pneuma door de arteriën naar de rest van het lichaam stuwde.
