Geschiedenis van bloedgasanalyse
1960
Het toestel van Astrup werd meteen verkocht door Radiometer A/S en kort daarna aangepast door Ole Siggaard Andersen (1932-), een medewerker van Astrup, waarbij zeer kleine bloedstalen konden gebruikt worden. Siggaard Andersen, O., K. Engel, K. Jorgensen, and P. Astrup. 1960. A micro method for determination of pH, carbon dioxide tension, base excess and standard bicarbonate in capillary blood. Scand. J. Clin. Lab. Invest. 12: 172-176
1960
Het gebruik van volume ventilators en Astrup bloedgastoestellen voor pCO2 controle leidde tot grote verspreiding van ICU-gebruik van respirometers, die de industriële gasmeters en de grote waterslot spirometers van het type Collins vervingen.
1960
De Joods-Hongaars-Britse wetenschapper Michael Polanyi (1891-1976) vond de glasvezel cathederoximeter uit, die heel populair werd bij de hartchirurgen, waarbij hij de theorieën van Zijlstra toepaste.
Amerikaanse Optische Pulsoximeter, 1960
1960
Ontwikkeling van de eerste tafel “CO-oximeter” die in staat was een onderscheid te maken tussen hemoglobine, carboxi-hemoglobine en met-hemoglobine.
1962
De in Oostenrijk geboren Britse moleculaire bioloog Max Ferdinand Perutz (1914-2002) bepaalde de moleculaire structuur van hemoglobine via W-stralen kristallografie.Dit werk leverde hem in 1962, samen met de Britse biochemicus en kristaloloog Sir John Cowdery Kendrew (1917- 1997) de Nobelprijs voor Scheikunde op.
1964
De Amerikaanse chirurg Robert Shaw (1916-) assembleerde in San
Francisco de eerste, zelf calibrerende oor-oximeter, waarvoor acht
golflengten van licht gebruikte. Gecommercialiseerd door Hewlett Packard
was het gebruik ervan gelimiteerd tot labo’s voor pulmonaire functie of
slaaplabo’s, omwille van de hoge kostprijs (13.000 USD), het gewicht
(17 kg) en de afmetingen. Bovendien had het toestel een heel volumineus
en onhandig oorstuk. Maar het was wel tot 2% precies boven 70% saturatie
1966
De Oximeter X-350 van Waters Company, gebaseerd op het werk van Earl H. Wood (1913-2009) gebruikt in de Mayo Clinic, was de eerste oximeter die absolute metingen van zuurstofsaturatie weergaf zonder voorafgaandelijke aanpassingen naar een gekende concentratie. Gelijkaardige toestellen werden gebruikt in de hartchirurgie van de Mayo Clinic. Ongelukkig genoeg waren de in 1950 beschikbare fotocellen niet uniform in spectrale gevoeligheid en variabel in tijd, wat hun gebruik als monitor in de anesthesie vertraagde.
1970
Sommige van de eerste oximeters in de jaren ’70 wogen meer dan 12kg en moesten op een karretje vervoerd worden. De sensor woog ook al meer dan 1kg, geleek op een grote C klem en was zeer onaangenaam wanneer hij aan het oor van de patiënt gehecht werd. Na temperatuur, ademhaling, polsslag en bloeddruk werd de oximetrie de vijfde meting van vitale tekenen.
1970
Oximetrie werd klinisch mogelijk, nadat wetenschappers van Hewlett-Packard een commerciële ooroximeter ontwikkelden die de arteriële saturatie mat door het verwarmen van het weefsel tot 41°C om de lokale cutane bloedflow te verhogen.
1972
Begin 1972 toonden Dietrich Lübbers (1918-) en verschillende van zijn studenten in Marburg aan dat, wanneer de huid verwarmd werd tot 42-45°C, het mogelijk was om transcutaan een aanvaardbare arteriële PO2 waarde te meten, vooral bij pasgeborenen.
Huch, R., A. Huck, and D. Lübbers. 1973. Transcutaneous measurement of blood PO2 (tcPO2). J. Perinat. Med. 1: 183-190
1974
Kort daarna werden transcutane elektroden ontwikkeld voor het meten van PCO2.
1974
De Japanse bio ingenieur Takuo Aoyagi (1936-) trachtte een niet invasieve methode te ontwikkelen om de cardiale output te kunnen bepalen, waarbij hij gebruik maakte van cardiogroene verf en meetlicht dat via een oorstuk passeerde. Hij vond dat licht gezonden door het oor pulsatiele variaties vertoonde die het berekenen van de cardiale output mogelijk maakte. Gelukkig was hij ook geïnteresseerd in oximetrie en familiair met vorig oximetriewerk. Hij herkende dat hij in staat was om de pulsatie veranderingen in de lichttransmissie door het oor te gebruiken om de arteriële zuurstofsaturatie te meten. Hij ging door met het ontwikkelen van een pulsoximeter.
In januari 1974 werd een Japans abstract overhandigd aan Japanese Society of Medical Electronics and Biological Engineering, dat de uitvinding beschreef "Improvement of the Earpiece Oximeter". Het ontwikkelingsteam bestond uit Aoyagi, Michio Kishi, Kazuo Yamaguchi en Shinichi Watanabe van de tweede technologie afdeling van de Nihon Kohden Corporation. De nieuwe oximeter gebruikte een rood stralende lamp met filters op 630 en 900 nm en analoge detectie van de pulserende optische signaalratio van deze golflengtes. De publicatie werd door Aoyagi gepresenteerd op 26 april 1974. Op 29 maart 1974 werd door Nihon Kohden een patent aangevraagd bij de Japanese Patent Office getiteld "Apparatus for Photometric Blood Analysis" en Aoyagi en Kishi werden als uitvinders vernoemd. Het patent werd op 20 april 1979 toegekend onder het nummer 947714.
1974
Op hetzelfde ogenblik werkten Masaichiro Konishi en Akio Yamanishi, twee Japanse onderzoeker bij Minolta, aan hetzelfde project en hij diende op 24 april 1974 zijn patentaanvraag in. Dit patent werd in Japan geweigerd maar in 1982 aanvaard in de Verenigde Staten.
1975
De Japanse chirurg Susumu Nakajima testte het eerste toestel uit op zijn patiënten en rapporteerde daarover in 1975.
1975

Het eerste commerciële toestel, de OLV-5100, was in 1975 beschikbaar als een ooroximeter, een ontwikkeling van Aoyagi en zijn partners. Eigenaardig genoeg ging Nihon Kohden niet verder met de ontwikkeling van het toestel en vroeg ze er zelfs geen patent voor aan.
1977
De Minoruta Camera Company, in de Verenigde Staten gekend als Minolta, ontwikkelde in 1977 haar eigen gelijkaardig toestel onder de naam van Oximet MET-1471, groot verschil was echter dat zij met een vingersensor werkten en glasvezelkabel.
1978
De Amerikaanse arts William New ontwikkelde het prototype voor een moderne pulsoximeter. Samen met Jack Lloyd erkende hij de potentiële belangrijkheid van de pulsoximeter en ontwikkelde hij interesse bij anestesisten en andere personen betrokken bij “critical care” in de Verenigde Staten.
1979

De laatste doorbraak in de pulsoximetrie kwam van David Benaron, Professor Pediatrie aan de “Stanford University”, die het toestel significant verbeterde in die zin dat het zelfs in staat was te werken zonder dat de patiënt een pols had.
