Sponsor

rdsm

Geschiedenis van de Bloeddrukmeting - Deel V

Alternatieve Methodes

Het merendeel van de monitors die vandaag op de markt zijn, zijn ofwel van oscillometrische, ofwel van ausculatorische aard. Er zijn echter ander types toestellen. Sommige monitors gebruiken zowel de ausculatorische als de oscillometrische methode, waarbij één methode als de primaire meting dient en de andere voor controle, om op die manier de intrinsieke nadelen van elk te minimaliseren.

De infrasound techniek tracht de ausculatorische methode te verbeteren door het opsporen van Korotkoff vibraties van lage frequentie, lager dan 50 Hz, sub-audibele vibraties inbegrepen.

Ultrasound technieken worden ook occasioneel gebruikt om de bloeddruk te bepalen, gewoonlijk in combinatie met andere methoden. Waarden genoteerd via ultrasound kunnen heel fel operator afhankelijk zijn.

Een andere methode, de impedantie plethysmografie genoemd, meet eveneens de volumetrische verandering die gepaard gaat met arteriële uitzetting. Volumetrische veranderingen veroorzaken veranderingen in de electrische geleiding (impedantie) van de meetplaats. Wanneer ze grafisch wordt voorgesteld in de tijd, wordt een impedantie golfvorm geproduceerd gelijk aan die van de door de druk veroorzaakte oscillometrische golfvorm. De bloeddruk wordt op dezelfde manier geschat als bij de oscillometrische techniek.

Arteriële tonometrie gebruikt een totaal andere aanpak. De arterie wordt plat gedrukt door niet invasieve druk toe te passen om de arterie tegen het been te drukken. De gebruikte drukken, die nodig waren om de ingedrukte toestand vast te houden, worden genoteerd. Dit gebeurt door het gebruik van een serie sensoren, die elk de druk meten. Het resultaat van deze methode is een golfvorm gelijk aan die van de catheter metingen, en er moet een algoritme gebruikt worden om de drukken te berekenen vanuit die golfvorm.

Tonometrie heeft meerdere limitaties. Eerst en vooral is het een meting van de perifere circulatie, die andere drukken heeft dan meer centraal gelegen plaatsen (zoals de brachiale arterie). Ten tweede heeft tonometrie een hoge sensitiviteit voor de positie en de hoek van de sensor. Daarom kan de inter-operator reproduceerbaarheid zeer laag zijn. Tenslotte vereist tonometrie een calibratie via een initiële bloeddrukmeting bekomen via een onafhankelijke techniek.

Ambulante bloeddrukmonitoring

Ambulante bloeddrukmonitors meten de bloeddruk van de patiënt over een voorafbepaalde tijdsduur (gewoonlijk 24 uur) buiten het hospitaal terwijl de patiënten hun normale dagelijkse routine volgen.

Kort beschreven is de procedure als volgt: de patiënt krijgt instructies over het juiste gebruik van de monitor, en draagt het toestel op zich. Daarna verlaat de patient het hospitaal en voert hij zijn normale dagelijkse routine uit. De monitor doet periodieke metingen en slaat de resultaten op. Wanneer de monitoring periode voorbij is, keert de patient terug naar het hospitaal. De arts transfereert de resultaten van de monitor naar een computer voor analyse. Voor deze analyse beschikken de artsen gewoonlijk tussen de 70 en de 100 bloeddrukmetingen.

Het doel van de ambulante bloeddruk monitoring (ABPM) is om een profiel te verkrijgen van de bloeddruk van de patient onder condities die meer representatief zijn voor de levensstijl van de patiënt tegenover die die eigen zijn aan een klinische omgeving. Het is zeer goed gedocumenteerd geworden dat de bloeddrukken gemeten in een hospitaal of een artsenpraktijk niet altijd representatief zijn voor de alledaagse drukken. Dit alles leidde tot de identificatie van de "white coat hypertension" (= witte jas hypertensie) en het dagelijks voorkomende ritme van bloeddruk.

"White coat hypertension" wordt gewoonlijk gedefinieerd als een 'voortdurende hoge klinische bloeddruk en een normale druk op andere momenten." Hoewel over de algemene beschrijving van "white coat hypertension" een akkoord bereikt werd, varieert de exacte beschrijving. Tussen de 20 en 40% van de patiënten met milde of matige hypertensie in een klinische setting kunnen inderdaad "white coat hypertension" hebben. Twee in het oog springende punten die voortkomen uit "white coat hypertension" zijn de effecten van anti-hypertensieve medicamenten op normotensieve personen (= personen met een normale bloeddruk) en de kosten verbonden aan het toedienen van deze medicamenten. Om onnodige therapie te vermijden bij mensen met "white coat hypertension", moeten deze personen geïdentificeerd worden. ABPM is de enige manier om dit te doen.

ABPM heeft rechtstreeks eveneens geleid tot de "circadian rhythm" van bloeddruk: een vermindering van de bloeddrukwaarden tussen de periodes van wakker zijn en de slaapperiode (voor het gemak worden dag en nacht gebruikt voor wakker zijn en slapen). De meeste mensen vertonen dit "circadian rhythm", dat bestaat uit een vermindering van de bloeddruk van ± 15-25% tijdens de nacht met 's morgens opnieuw een verhoging naar de dagniveaus. Klinische studies klasseren mensen als "dippers" of "non-dippers", afhankelijk of hun bloeddruk het "circadian rhythm" vertoont of 's nachts dicht bij de waarden van overdag blijft. Gezien hypertensieve "dippers" 's nachts normotensief kunnen zijn, kan ABPM nuttig zijn in het optimaliseren van het behandelingsprogramma's voor hypertensie.

Klinisch onderzoek op het vlak van ABPM heeft geleid tot het toepassen, van additionele analysetechnieken die de arts toelaten om een juistere beoordeling te verkrijgen van de hypertensieve toestand van de patiënt.

ABPM kan kostenbesparend zijn door het verminderen van het aantal patiënten die verkeerdelijk als hypertensief bestempeld worden en daaruit voortvloeiend een anti hypertensie therapie ondergaan.


<< Deel 4