Sponsor

rdsm

Cardiologisch Onderzoek 1932

1932

Rudolph Burger ontwikkelde een suctie elektrode voor precordiale afleidingen, die later gewijzigd werd door Welsh zoals ze nu gebruikt wordt voor de ECG-toestellen met 12 kanalen.

image002_13.gif

Vroeg ontwerp van een precordiale zuigelektrode, links die van Ungerleider, rechts die van Lewis. Tot begin jaren 1990 werd de precordiale zuigelektrode verplaatst van V1 tot V6 om het ECG af te nemen. Nadien werden 6 precordiale elektroden geplaatst voor een simultane afname van een ECG.

1932

S. Goldhammer en D. Scherf stelden het gebruik van een elektrocardiogram voor na matige inspanning als hulp voor de diagnose van coronaire insufficiëntie

Goldhammer S, Scherf D. Elektrokardiographische untersuchungen bei kranken mit angina pectoris. Z Klin Med 1932;122:134

1932

image003_14_png.jpg
 
Charles C. Wolferth (1887-1965) en op de foto Francis Clark Wood (1892-1982) beschreven het klinisch gebruik van borstafleidingen.
Wolferth CC, Wood FC. The electrocardiografic diagnosis of coronary occlusion by the use of chest leads. Am J Med Sci 1932;183:30-35

1932

Een compact, draagbaar en schrijvend ECG toestel werd in Zwitserland ontwikkeld door de firma Duchosal .

1932

image006_2.gif

Albert S. Hyman (1893-1972), cardioloog in New York, bouwde samen met zijn broer Charles H. Hyman, die zichzelf fysicus noemde, een elektromechanisch toestel dat beschouwd werd als eerste artificiële pacemaker. Nochtans was de Australische anestesist Mark C. Lidwell (1878-1969) hem in 1926 voor geweest, toen die een pasgeboren baby reanimeerde in het Crown Street Women's Hospital van Sydney. Alleen had Lidwell zijn uitvinding niet gepatenteerd en dat deed Hyman op 12 maart 1930 wel. Na zijn universitaire studies trok Hyman naar Europa, waar hij bij de Britse cardioloog James Mackenzie (1853-1925) in de leer ging. Terug in de States startte hij een praktijk in New York en met financiële steun van een foundation publiceerde hij drie rapporten (1930, 1932 en 1935) over de behandeling van het "stopped heart." Als behandeling raadde hij de "intracardial therapy" aan, een term die hij zelf had bedacht. In het begin bestond die uit een rechtstreekse injectie van verschillende stimulantia in het rechter atrium, gewoonlijk met epinefrine. Na enige tijd besliste hij dat eigenlijk niet de stimulantia zelf het hartritme herstelden, maar de punctie van de naald in de hartwand een actiestroom van kwetsuur instelde. Hij verklaarde dat tijdens de eerste seconden van een hartstilstand, het begin van de elektrische geleiding in het hart verlaagd werd en myocard weefsel tijdelijk meer prikkelbaar werd. In 1930 rapporteerde Hyman dat hij een vrouw van 45 jaar had doen herleven, die een mitraal stenose had en dood verklaard was door de arts van dienst. Zeven minuten na haar "dood" bracht Hyman percutaan en transthoracaal een naald in in het rechter atrium van de vrouw. Dit veroorzaakte "een zeer vlug, onregelmatig atriaal tempo." Binnen het uur herwon de vrouw haar bewustzijn, "en na een nogal hevige periode van zes uur was ze bij bewustzijn en kon ze spreken tegen de mensen rondom haar." Acht dagen later stierf ze echter van haar onderliggende hartziekte. "Er werd niet gepoogd haar een tweede maal te reanimeren." In zijn publicatie van 1932 beweerde Hyman dat de stimuli van de artificiële pacemaker op een ECG getoond werden als "extrasystoles." De review en de heranalyse van deze gepubliceerde ECG's overtuigden echter niet dat een actuele cardiale respons optrad.

image008_13.jpg

In zijn tweede publicatie over "intracardial therapy" uit 1932, beschreef en illustreerde Hyman een toestel voor gebruik door artsen en het was zijn broer Charles die hiervoor het patent kreeg in 1933. Het toestel dat elektrische stimuli uitzond om het "stopped heart" terug op te starten noemde hij de "artificial pacemaker".

image010_12.jpg

Hyman beweerde dat de "ectopic beats" (een term van hem) die door de naald werden ingeleid "voldoende waren om een voldoende volume output van de linker ventrikel te herstellen om het coronaire systeem te bevloeien, wat op zijn beurt leidde tot het herstel van een normale sinus nodale activiteit." Indien de arts vlug genoeg kon reageren, bestond er een grote kans dat het hart reanimeerde met een enkele steek. In elk van zijn drie rapporten beschreef Hyman het "stopped heart" als het resultaat van "anoxemia" (zijn eigen term). Enkel in het derde rapport van 1935 vermeldde Hyman de mogelijke injectie van beide ventrikels, evenals het rechter atrium, hoewel hij nog altijd de atriale injectie verdedigde. Hij adviseerde dat "een intra-auriculaire punctie zou moeten gepoogd worden bij elke doodsoorzaak voortvloeiend uit een asystolisch hart," maar hij wist dat deze periode van verhoogde myocardiale prikkelbaarheid tijdelijk was. "Als de elektrodynamische balans van het hele hart meer en meer gestoord wordt, kan één enkele prik van de naald misschien niet krachtig genoeg zijn. . . . Twee of zelfs drie meer naaldsteken kunnen nodig zijn." Uiteindelijk was hij duidelijk bezorgd over het maken van verschillende puncties en begon hij andere manieren te overwegen om herhaaldelijke irritantia aan het hart te bezorgen. Als toevoeging aan zijn uitvinding ging Hyman zo ver om een aanvaardbare basis te geven voor elektrische stimulatie. Hij dacht aan elektrische stimulatie als dat ietsje meer dan de vervanging van de naaldprik. "Van fundamenteel belang," schreef hij, "is het verschil in de basis theorieën tussen de vorige manieren van elektrische stimulaties voor het hart en die betreffende de artificiële pacemaker methodes. In de vorige is de elektrische stroom ingevoerd in het hart dezelfde stroom die verondersteld wordt contracties van de hartspier te veroorzaken, terwijl in de laatstgenoemde theorie de toegebrachte stroom enkel dient om een controleerbaar irritatiepunt te leveren die op normale wijze een golf van prikkeling kan doen opwellen en het hart doet overslaan naar zijn gebruikelijke paden." "Met andere woorden," ging hij verder, "de artificiële pacemaker produceert hetzelfde effect als dat wat vroeger besproken werd met betrekking tot de mechanische prik van een injectienaald "


<< 19311933 >>