Cardiologisch Onderzoek 1922-1924
1922

Victor elektrocardiograaf
1922

Pocket sphygmograaf van Fellner
1922

Bloeddrukmeter met grafische registratie, in combinatie met een sphygmocardiograaf
1923
Tussen de twee oorlogen in toonde Professor Tadeusz Tempka (1885-1974) aan de Universiteit van Kraków de krachtige invloed van de calcium ionen aan op de hartspier en wees hij op de noodzaak om tijdens een behandeling met digitalis deze ionen te controleren.
1923

Francis Gano Benedict (1870-1957) beschreef een eenvoudig en goedkoop toestel voor het meten van het metabolisme bij studenten van verschillend ras. Het gesloten circuit systeem voor de bepaling van de humane respiratoire uitwisseling vond op korte tijd een wijde applicatie, zowel in Europese laboratoria als in Amerikaanse instituten. Er werden heel wat veranderingen ontwikkeld, met speciale referentie naar de bepaling van koolstofdioxide en zuurstof. Hagedorn, Knipping en Helmreich en Wagner deden aanpassingen in 1924, Dethloff, Dusser de Barenne en Burger maakten verbeteringen in 1925. Nochtans moest men bij al deze aanpassingen concluderen dat de beste methode voor de bepaling van de respiratoire quotiënt gebeurde via de helm van Benedict met een open circuit toestel, twee blazers, een spirometer en meters. Met dit apparaat was het mogelijk de koolstofdioxide- en zuurstofinhoud van lucht te bepalen tot op 0.003%. Vandaar dat het toestel geventileerd kon worden aan een snelheid vlug genoeg zodat de koolstofdioxide inhoud van de uitgaande lucht onder de 1% bleef. Dit systeem bood de optimale mogelijkheid om normaal te ademen en toch nog respiratoire quotiënten te bekomen met een hoge graad van precisie. In een coöperatief onderzoek met Dr. H. F. Root aan de 'New England Deaconess Hospital' werd een relatie gevonden tussen het niet waarneembaar verlies per uur en het metabolisme. Deze methode van bepaling van het basale metabolisme was nuttig bij patiënten die een directe meting van de respiratoire uitwisseling niet konden of wilden verdragen.
1924

Willem Einthoven (1860-1927) won de Nobelprijs voor Geneeskunde door de uitvinding van de elektrocardiograaf . Hij verbleef op dat moment in de Verenigde Staten, waar de klinische elektrocardiografie reeds een grote vlucht had genomen, en het was voor hem verbazingwekkend te zien dat laboratoriummedewerkers aldaar de diagnose 'coronaire trombose' stelden op basis van het ECG. Na de toekenning van de Nobelprijs aan Einthoven nam de vraag naar (snaar) elektrocardiografen duidelijk toe.
1924

Brachiale-polsgolf recorder.

Gecombineerd opnametoestel bestaande uit Sph = sphygmograph A = armrust-tripode, P = pneumograaf, K = cardiograaf C = carotide capsule Z = eenvoudige tijdsmarkeerder T = trommel van Marey, St = tripode. Gewicht: 10,405kg.

Draagbare registrator met trommel voor roet registratie strips van 25m lengte. De 70mm brede papieren strip wordt bewogen door een uurwerk U aan een snelheid van 10mm/sec. De hefboom H1 brengt de strip in beweging, H2 plaatst een merkteken van de tijd tijdens de werking, dat aan de rechterzijde van de roetstrip zichtbaar wordt als een 1/5 sec.-merkteken. De toets U op het uurwerk switch naar een tweede, snellere snelheid. De opnamecapsules met metalen opnamehefbomen tekenen op hetzelfde niveau als het merkteken van de tijd. De hefbomen rusten met veerdruk om het contactpunt van de membraan.. Het toestel heeft het voordeel om drie verschillende curves over elkaar te registreren en ze te vergelijken; the ordinaten staan rechtop en kunnen via het merkteken van de tijd geëvalueerd worden. Gewicht: 3,500 kg.
Draagbaar opnametoestel zonder trommel, uitgerust met sphygmograaf, cardiograaf, carotide capsule, pneumograaf, drie zero drukkleppen en een 3,6 m lange buis van 4:8mm Het toestel diende voor onderzoeken op grote hoogte, bij bergbeklimmen. Gewicht 4kg.
1924

Professor Woldemar Mobitz (1889-1951) publiceerde de classificatie van tweedegraads atrio-ventriculaire blocks door het gebruik van het elektrocardiogram, waarmee hij de bevindingen van Wenckebach en Hay documenteerde. De grafische voorstelling van type II block uit zijn publicatie toont een occasionele block van één of meer P golven met geen verandering in alle PR intervals voor en na de non-conducted P golven.De trapdiagrammen toonden duidelijk deze belangrijke bestendigheid van het PR interval aan. Type II block wordt geassocieerd met een constante sinus rate. Ironisch genoeg werd de nood voor een constante sinus rate voor de diagnose van type II block slechts onlangs benadrukt. Van 1923 tot 1924 verschenen bijdragen over atrioventriculaire (AV) en AV-block. Andere aandachtspunten waren de pulmonaire sclerose (1924), de bloedstroomregulatie (1924), de hartslagvolumebstemming (1926-1927), het meten van de bloedsomlooptijd met ethyljodide (1930), de ziekte van Banti, een miltvergroting t.g.v.chronische hypertensie van de vena lienali (1946), longinfiltraten (1947) en de medisch aanwending van Isotopen (1949).
De naar hem genoemde arrytmieën:
1. Mobitz-1-Type SA-block II° Typ 1 (of Wenckebach-Type)
2. Mobitz-2-Type SA-block II° Typ 2
3. Mobitz-Interferentie
Mobitz W. Uber die unvollstandige Storung der Erregungsuberleitung zwischen Vorhof und Kammer des menschlichen Herzens. (Concerning partial block of conduction between the atria and ventrikels of the human hart). Z Ges Exp Med 1924;41:180-237.

1924

In 1924 beschreef Adriaan Noyons (1878-1941), Professor Fysiologie aan de Universiteit van Utrecht, een calorimeter geconstrueerd op het differentiaal of vergelijkingsprincipe. Twee koperen cilinders horizontaal geplaatst in een afsluiting, die voor beide dezelfde condities leverde, de ene bevatte een dier, de andere een verwarmingselement. Dit laatste kon gecontroleerd worden via een variabele weerstand en aanduidende meters om de temperatuur opgenomen in de dierenkamer te kunnen gelijkstellen. In latere modellen kon de vochtigheidsgraad in de compensatiekamer gecontroleerd worden via een natgemaakte katoenen wiek en de verloren hitteverdamping berekend worden uit het volume en de vochtigheidsgraad van de ventilerende luchtstroom. Hoewel de observaties met calorimeters niet zo uitgebreid waren als deze met het respiratietoestel, waren ze toch van fundamenteel belang voor het instellen van het algemene principe dat de hitteproductie bekomen door de indirecte methode, dat is diegene van de respiratoire uitwisseling, vergelijkbaar is met diegene bekomen door de caloriemeters.
1924
Hans Christian Hagedorn (1888-1971), een diabetoloog aan de Universiteit van Kopenhagen, ontwikkelde een toestel voor de grafische opname van zuurstofverbruik en koolstofdioxide output, speciaal aangepast voor klinisch werk

Zijn ervaring met de respiratieopnamemachine van Krogh leerde hem dat het een enorm voordeel is voor klinisch werk om ook de zuurstofconsumptie grafisch weer te geven, want de grafieken maakten het mogelijk om te zien of de respiratie en het metabolisme uniform waren of niet, een controle die vooral belangrijk was bij het bestuderen van proefpersonen die niet getraind waren voor metabole experimenten. De hitteproductie kon berekend worden met behulp van de tabellen van Zuntz en Schumburg, en ook de berekeningen en de tabellen van Krogh werden gebruikt. De ventilatie berekende hij op de volgende manier: met een goede planimeter werd de totale zone tussen inspiraties en expiraties gemeten; dit werd gemakkelijk bekomen door de pin van de planimeter te bewegen van top tot top van alle expiraties in het experiment, en het volgen van de laatste respiratie neerwaarts naar de inspiratie en dan door alle diepste punten van de inspiraties en omhoog naar het punt waar de meting startte; de meting van de planimeter gaf dan een zone weer en deze zone gedeeld door de lengte van het experiment in centimeters op de abscis gaf de gemiddelde diepte weer van de respiratie in centimeters; die kon omgerekend worden in liters via een speciale schaalverdeling. De gemiddelde respiratie vermenigvuldigd met het aantal respiraties tijdens het experiment en gedeeld door de duur van het experiment in minuten gaf de ventilatie per minuut.
Hans Christian Hagedorn en August Krogh kregen van Benting en Best uit Toronto de rechten voor de productie van insuline voor de Scandinavische landen. In 1923 richtten zij het Nordisk Insulinelaboratorium op, en in 1926 samen met apotheker August Kongsted kregen ze het 'Danish Royal Charter' als een 'non-profit foundation'.
