Cardiologisch Onderzoek 1920
1920
Schack August Steenberg Krogh (1874-1949) kreeg de Nobelprijs voor Geneeskunde omwille van zijn onderzoeken over het verhoogde zuurstofverbruik tijdens musculaire arbeid. Gezien de zuurstofdruk bij spieren in rust eerder laag was, moest het verhoogd gebruik verklaard worden door een verhoging van de diffusie oppervlakte. Krogh kwam tot de conclusie dat tijdens spierarbeid nieuwe capillairen zich terug openden, die voorheen gesloten waren en daardoor dus de oppervlakte vergrootten waaruit de zuurstof kon diffuseren. Samen met Professor J. Lindhard (1870-1947) had Krogh jaren voordien een idee van A. Bornstein overgenomen en ontwikkelde hij ook de stikstofoxide methode voor het bepalen van de algemene bloed flow, wat van groot belang zou worden voor de verdere ontwikkelingen in dat domein. Een belangrijke verhoging trad op tijdens spierwerk, wat toegekend werd aan de variaties in het vullen van het hart tijdens de diastole. De toevoer van veneus bloed moest daarom variabel zijn binnen brede limieten en moest tijdens rust bijna altijd onbekwaam zijn om de ventrikels te vullen. Deze conclusie werd door Krogh versterkt in een analyse van het onderliggende mechanisme, dat eveneens leidde tot de conclusie dat het portaal systeem ageert als een algemene regulator van de druk in de centrale venen en daardoor op de output van het hart. Al deze ontdekkingen werden door Krogh in de volgende jaren uitgebreid en gepubliceerd in zijn boek ’The Anatomy and Physiology of the Capillaries’ uit 1922 en vele andere publicaties. Krogh en zijn school voerden nog andere begrijpelijke onderzoeken uit over hevige spierarbeid onder auspiciën van de ‘League of Nations’ en in 1934 werden een reeks belangrijke problemen behandeld, zoals hitteregeling, respiratoir metabolisme, invloed van dieet op de werkcapaciteit, bloedsuiker, melkzuur, training en vermoeidheid en nierfunctie.
1920

H. M. Korns, M. D. met zijn eerste ECG-toestel
1920
Hubert Mann (1891-?) van het ‘Cardiographic Laboratory, Mount Sinae Hospital’ beschreef, met behulp van de Einthoven signalen, de afleiding van een 'monocardiogram' later 'vectorcardiogram' genoemd, meer bepaald de veranderingen in lengte en richting van de cardiale vector in functie van de tijd. Deze procedure vroeg veel tijd en werd dan ook niet toegepast voor 1930, toen het mogelijk werd om de bekomen loops te tonen op een oscilloscoop. Hubert Mann deed verdere onderzoeken over vectocardiografie om het tot een klinische tool te ontwikkelen. Hij publiceerde het eerste twee-dimensionale vectocardiogram in 1916 en noemde het in zijn publicatie van 1920 een ‘monocardiogram’.

Mann H. A method of analyzing the electrocardiogram. Arch Int Med 1920;25:283-294
1920

Een Cambridge ECG uit 1920 van voor de uitvinding van de contact elektroden
1920
Harold Ensign Bennet Pardee (1886-1973) uit New York, publiceerde het eerste elektrocardiogram van een acuut menselijk myocard infarct en omschreef de T golf als lang en "startend van een welbepaald punt op de daling van de R golf".
Pardee HEB. An electrocardiografic sign of coronary artery obstruction. Arch Int Med 1920;26:244-257
1920
De Poolse Professor Wlodzimierz Koskowski (1893-1965), hoofd van het departement Experimentele Pathologie aan de Universiteit van Lwów, kreeg bekendheid omwille van zijn studies over de werking van vaso-actieve geneesmiddelen en van histamine geďnduceerde hypotensie. In 1920 rapporteerde hij dat histamine geďnduceerde hypotensie resulteerde uit de remmende werking van deze amine op de sympathische zenuweinden of op een hypothetische neuromusculaire mediator, die in de actie van de catecholamines bemiddelde. Hij veronderstelde ook dat het actiegebied van een a-imidazolylethanolamine dezelfde was als die van adrenaline. Op die manier verklaarde hij de interactie van deze twee amines in hun werking op de bloedvaten. 50 jaar later bekwamen de Amerikanen W.G. Richards en C.R. Gannelin dezelfde resultaten. Koskowski toonde ook aan dat nicotine het hart aantastte via de ganglia maar niet via de vagale zenuweinden.
1920

De elektrocardiograaf op de afbeelding is ontworpen in 1920 en geproduceerd door de firma G. Boulitte in Parijs
1920
De Poolse wetenschapper Andrzej Klisiecki (1895-1975), in Kraków leerling van Napoleon Cybulski (1854-1919), startte studies over de snelheid van de bloed flow waarbij hij een photohaemotachometer gebruikte. Klisiecki werkte de vergelijking uit voor de snelheid van de bloedflow in een canule: V=R-g (R - a verschil in drukken, g - gravitatie coëfficient). In zijn eindwerk presenteerde hij de evidente aanwezigheid van systolische en dubbele polsslag snelheidsgolven in de aorta, van ademhalingsgolven die tot dan toe gekend ware nom enkel in de perifere arteriën op te treden, en de derderangs snelheidsgolven analoog aan de zogenaamde 'Traube en Hering golven' in de opsporing van arteriële bloeddruk. Hij analyseerde eveneens de bewegingsleer van bloed flow in de door calcificatie aangetaste arteriën wat resulteerde in een verlies aan elasticiteit (1929-1935). In de jaren dertig onderzochten Klisiecki en zijn zeer getalenteerde student Wieslaw Holobut de etiopathogenese van een histamineshock. De resultaten werden in 1937 voorgesteld in een publicatie over de functiestoornissen van de linker ventrikel, die resulteerden in een daling van de arteriële bloeddruk tijdens de histamine shock.
1920

Thomas Lewis (1881-1945) beschreef een complete hart-block.
“De pulsatie van de auricels worden eveneens geleid over de arteriën en verschijnen zelden op de radiale tracés. De transmissiemode naar zo’n ver punt wordt niet duidelijk verstaan, maar het is waarschijnlijk dat de basis van de aorta op dezelfde manier acteert als een śsophagale sound, zoals die gebruikt wordt bij de opname van de bewegingen van de linker auricel, en dat de contracties van het auriculaire deel van het hart dat rond de aorta is gewikkeld, veranderingen produceert in de systemische arteriële druk, die naar een afstand gezonden wordt.”

Lewis, T. The Mechanism and Graphic Registration of the Heart Beat. Paul B. Hoeber, Publisher. New York, 1920 pp. 178-179.
1920

De snoergalvanometer van Einthoven in 1920
In de Verenigde Staten presenteerde Dr. Alfred Cohn (1879-1957) de ‘strap on electrode’, die bestond uit bladmetaal, aan de buitenzijde bedekt met een rubberen band.
1920

Een niet galvanisch ECG
1920

Thomas Lewis (1881-1945) vermoedde dat de atria betrokken waren in één constante inspringende circulaire reis door de vena cava en crista terminalis en hij suggereerde een ‘circus movement’ theorie voor atriale flutter die overheerste doorheen de volgende decades. Bovendien, 85 jaar voordat de experimenten van Dr. Maurits Allessie aantoonden dat AF AF voortbrengt, concludeerde Lewis, op basis van zijn experimenten, dat de fibrillatie zelf de irriteerbaarheid van het auriculare weefsel verergerde. Zijn voornaamste therapeutische contributie betrof het mechanisme van de actie van quinidine, die hij relateerde aan haar mogelijkheid om een ruimte te onderhouden tussen het hoofd en het einde van excitatie in atriale flutter en fibrillatie.
1920

Praktisch iedere artsenpraktijk was in 1920 uitgerust met een bloeddrukmeter.
A: Oscillometrische sphygmomanometree van Spengler
B: Oscillotonometer 'Scala alternans' van de firma Altera.
C: Oscillometer 559 met ballon van Spengler.

Bloedddrukmeter gefabriceerd door G.Boulitte Een aneroďde sphygmomanometer van Tycos.

Sphygmomanometer met opvouwbare basis en apart kwikreservoir.
