Sponsor

rdsm

Cardiologisch onderzoek: 1896-1900

1896

Riva-Rocci.jpg 

De Italiaanse internist en kinderarts Scipione Riva-Rocci (1863-1937) ontwikkelde in 1896 de kwik sphygmomanometer. Dit ontwerp was het prototype van de moderne kwik sphygmomanometer. Een opblaasbare cuff werd rond de opperarm geplaatst om de brachiale arterie af te snoeren. De cuff was aan een glazen manometer gekoppeld, die gevuld was met kwik om de op de opperam uitgeoefende druk te meten. De aanduiding RR voor bloeddrukmeting staat voor Riva-Rocci.

image004_18.jpg
 
De opblaasbare manchet op zich, was een uitvinding van de Duitse chirurg Johann Friedrich August von Esmarch (1823-1908), die hem gebruikte voor het afbinden van ledematen waarmee hij het doodbloeden bij verwondingen en operaties voorkwam.

Riva-Rocci_spgygmomanometer.jpg  image008_9.jpg

De kwik sphygmomanometer van Riva-Ricci was een fundamentele bijdrage voor bloeddrukmeting. Hij was gebruiksvriendelijk en gaf voldoende betrouwbare resultaten.

1896

image010_8.jpg
 
De haemodynamometer van 'Hawksley and Sons' uit Londen werd geproduceerd volgens de gedetailleerde beschrijving van George Oliver (1841-1915), een huisarts in het Engelse Harrogate. Het drukplaatje onderaan de wijzerplaat rustte op de radiale arterie, waardoor de naald op de ronde wijzerplaat kon bewegen bij drukverschillen. De metingen werden gedaan op het punt waar de oscillaties het grootst waren. Oliver vond ook de druppelteller onderaan de infusen uit.

1896

image012_6.jpg
 
De Nederlandse arts Theodor Wilhelm Engelmann (1843-1909) legde vast hoe de samentrekking van de hartspier door het hart zelf wordt aangestuurd, zonder tussenkomst van de hersenen. Ook omschreef hij door welke factoren de snelheid van de hartslag beïnvloed wordt. Hiermee hielp hij de mystieke rol van het hart definitief de wereld uit.

1896

image014.gif
 
De Amerikaan Francis Henry Williams (1852-1936), als arts aan het 'Boston City Hospital' verbonden, gebruikte na de uitvinding van Röntgen zeer vlug de X-stralen en publiceerde een gedetailleerd werk waarin hij zijn onderzoek van het hart met een fluoroscoop omschreef. Hij beschreef de kamers die hij zag kloppen en linkte de bewegingen van het hart aan de geluiden die hij via auscultatie gelijktijdig  had waargenomen. Ook merkte hij op dat de omvang van het hart, zoals via X-stralen waargenomen, vrij nauwkeurig overeenkwam met de omvang geschat via percussie. Hiermee verdiende hij de titel 'vader van de cardiale fluoroscopie'. In 1901 publiceerde hij zijn boek 'The Roentgen Rays in Medicine and Surgery'. Hij rapporteerde het belang van de fluoroscopie in de diagnose van pericardiale effudie, aorta aneurisma, cardoale transpositie en calcificatie binnen het hart.

1896

image016_5.jpg
 
Ernest Starling (1866-1927) fysioloog aan het Londense 'University College' bestudeerde het doordringen van vloeistoffen door de wanden van de capillairen.

1897

De Canadees-Amerikaanse fysioloog George Neil Stewart (1860-1930) voerde experimenten uit in verband met de circulatietijd. Intraveneus spoot hij zoutoplossingen in en bepaalde hun aankomst in de arteriën via de veranderingen van de elektrische conductie van het bloed. Hij realiseerde zich dat de dilutie graad van het zout in arterieel bloed bepaald werd door de bloed flow, daarom breidde hij zijn experimenten uit om tot een cardiale output te komen.

1897

image018_4.jpg image020_8.jpg
  
Leonard Erskine Hill (1886-1952) en Harold Leslie Barnard (1868-1908) introduceerden een onafhankelijk systeem als dat van Riva-Rocci. Met een aneroïde manometer in plaats van kwik, waardoor de vraag open blijft wie de bloeddrukmonitor ontwikkelde. Op 2 otober 1897 publiceerden ze het artikel 'A simple and accurate form of sphygmometer or arterial pressure gauge contrived for clinical use' in de 'British Medical Journal'. Het artikel beschreef vooral het gebruik van het toestel tijdens anaestesie. Het toestel zelf bestond uit een smalle armband om de brachiale arterie af te sluiten, een kleine metalen pomp van het rijwieltype en een metalen manometer met mmHg gradaties. De drukmeter bestond uit een metalen trommel die aan een naald gekoppeld was. De drukveranderingen zorgden ervoor dat de naald bewoog op een ronde schaal gegradueerd tot 200 mmHg.

image022_4.jpg

1897

image002_37.jpg

In 1897 ontdekte de Zweedse fysioloog  Robert Tigerstedt (1853-1923), en één jaartje later werd dit bevestigd door een studie die hij deed samen met Per Bergman, dat nierextracten een druksubstantie bevatten, namelijk -renin. Deze substantie was een proteïne,  waarschijnlijk globuline en kon gedesactiveerd worden bij een hitte van 600°C. Indien men ze intraveneus inspoot bij een hond veroorzaakte dit een graduele verhoging van de bloeddruk die 10 tot 30 minuten aanhield, afhankelijk van de dosis. Opeenvolgende injecties van hoge dosissen bij korte intervals leverde telkens een kortere respons op. Dit fenomeen werd " tachyphylaxis" genoemd. Renin op zichzelf is geen vasoconstrictor of vasopressor, die eigenschappen zijn toe te wijten aan de hypertensin gevormd bij de reactie tussen renin en :hypertensinogen.

1899

image024_3.jpg
 
De Franse cardioloog Pierre Charles Édouard Potain (1825-1901) begroette de sphygmomanometer van von Basch heel enthoesiast en verbeterde hem in 1899 tot een toestel dat op klinisch gebied gebruikt kon worden. In plaats van water deed hij lucht in de armband en hechtte daaraan een aneroïde barometer. Potain verbeterde alle beschikbare compressietoestellen door het water of het kwik in de toestellen te vervangen door lucht, waardoor de precisie substantieel verbeterd werd. Hij werkte voornamelijk in het Parijse 'Hôpital Necker', waar hij assistent was van Professor Jean-Baptiste Bouilaud (1796-1881). Potain leverde heel wat bijdragen over cardiovasculaire ziekten en het testen van aan het hart gerelateerde zaken. Sommige van zijn testen hielden ook de diagnose in van de golven van de keelvenen, onderzoek van het hart gallopritme, bloeddrukmetingen en auscultorische analyse.

image026_3.jpg

De sfygmomanometer van Potain

 1899

image028_4.jpg 

De Nederlander Karel Frederik Wenckebach (1864-1940), beschreef de 'type I tweedegraads atrio-ventriculaire block' bij mensen, waarbij hij gebruik maakte van sphygmographische methoden van de radiale puls (het electrocardiogram werd klinisch nog niet gebruikt). Hij startte zijn carrière als huisarts en in zijn praktijk kreeg hij meerdere malen patiënten met hartritmestoonissen, wat hem aanzette om zich in 1896 verder te specialiseren in hartziekten. In 1901 werd hij hoogleraar Inwendige Ziekten aan de Universiteit van Groningen. In 1911 verhuisde hij naar Straatsburg en bekleedde daar dezelfde functie. Slechts drie jaar later vertrok hij naar Wenen om daar verder te gaan met zijn onderzoek naar hartritmestoornissen. Door een tip ontdekte hij min of meer toevallig de gunstige invloed die kinine soms heeft op ritmestoornissen. Een van de hartritmestoornissen, het zgn. 'Wenckebachblok', waarbij de geleidingstijd in de AV-knoop gedurende enkele slagen steeds toeneemt tot er uiteindelijk een slag niet meer doorkomt, draagt nog steeds zijn naam.

image030_3.jpg

1899

image032_3.jpg
 
De Duitse fysioloog Otto Frank (1865-1944) was een leerling van Carl Ludwig en van Carl von Voit en wordt algemeen beschouwd als de reus van de quantitatieve fysiologie. Zijn werk was vooral toegespitst op het cardiovasculaire systeem. Zijn eerste bijdrage aan de arteriële mechanismen was de wiskundige formule van Windkessel, die hij in 1899 beschreef in 'Die Grundform des Arteriellen Pulses'. Inspiratie hiervoor haalde hij uit het werk van Stephan Hales. Frank beschouwde arteriën als een enkel flexibele compartiment en gebruikte het bewaren van de massa om de veranderingen in het volume te analyseren tijdens de diastole. Daarna publiceerde hij nog drie werken die eveneens een enorme invloed hadden op de kennis van het mechanisme van de arteriën: 'Der Puls in den Arterien'  in 1905, 'Die Elastizität der Blutgefässe' in 1920 en 'Die Theorie der Pulswellen' in 1926. In het werk uit 1905 introduceerde hij de theorie van de golven in de arteriën. In het werk van 1920 leidde hij op een correcte manier de golfsnelheid af uitgaande van elasticiteit. In 1926 overwoog hij het effect van de viscositeit, de beweging van de wanden en de energie van de polsgolf, alvorens naar enkele voorbeelden van speciale cases te gaan. Deze voorbeelden hielden het gebruik van de 'Fourier analyse' in en waarschijnlijk de eerste behandeling van de reflecties van de polsgolf, met inbegrip van de reflectie en transmissie coëfficiënten die te wijten zijn aan een bifurcatie. Er is nochtans een fundamenteel conflict tussen de twee door Frank naar voor gebrachte theorieën: het Windkessel en het polsgolf model voor arteriële mechanismen. Het Windkessel model veronderstelt dat het totale arteriole systeem ageert zoals een enkel compartiment, terwijl de golfmodel voorspelt dat informatie in de vorm van golven door de arteriën reist. Frank was zich ten volle bewust van deze dichotomie en besprak ze in zijn werk uit 1930 'Schätzung des Schlagvolumens des menschlichen Herzens auf Frund der Wellen- und Windkesseltheorie' zonder er echter een oplossing voor te geven.

1899

image034_4.jpg
 
De Oostenrijkse Professor Albert Dietrich Hermann Lenhartz (1854-1910) beschreef streptococcen, staphylococcen, pneumococcen en gonococcen endocarditis

1899

image036_2.jpg
 
De Franse neuroloog en cardioloog Henri Huchard (1844-1910), werkzaam in het Parijse 'hôpital Bichat' en het Parijse 'hôpital Necker', noteerde in één van zijn werken: "een bloedklonter is voor arteriën wat reuma is voor het hart". Huchard specialiseerde zich in de therapieën van hart- en vaataandoeningen en publiceerde werken over angina, arteriosclerose, ontsteking van de aorta, het delirium bij hartpatiënten, de arteriële hypotensie bij tyfuskoorts, mineraalwater bij hartziekten, functionele maagstoornissen die cardiale aandoeningen simuleren. Hij is vooral bekend omwille van zijn studie over arteriosclerose. Twee aandoeningen zijn naar hem genoemd: 'De ziekte van Huchard', een continue arteriële hypertensie en 'het teken van Huchard', een indicatie voor hypertensie gekenmerkt door een polsslag die niet vermindert als men van staande houding gaat liggen. Zijn bekendste werken: 'La myocardite varioleuse' (1870-71), geschreven samen met Louis Desnos (1853-1925), 'Traité des névroses' (1883) tweede editie met Alexandre Axenfeld (1825-1876), 'Traité des maladies du coeur et des vaisscaux' (1889), 'Consultations médicales' (1901) en 'Les maladies du coeur et leur traitement' (1908)

1900

image002_25.jpg

De Oostenrijkse patholoog Gustav Gärtner (1855-1937) ontwierp een eigen 'Tonometer', die de bloeddruk nam via een opblaasbare vingercuff. Gärtner studeerde als af arts in 1879 en hoewel hij heel wat onderzoekswerk deed, kreeg hij de titel Professor pas toegewezen in 1918 aan de Universiteit van Wenen. Hij was aktief op drie gebieden: experimenteel pathologisch onderzoek, voedingsleer en praktische wetenschappelijke apparaten. In 1880 onderzocht hij de 'splanchnictomie' van de nieren en de 'niersekretie'. Hij initieerde in 1893 ook intraveneuze infusies van sterke zoutoplossingen, wat in oorlogstijden het middel was tegen overvloedig diarree bij cholera. Bovendien experimenteerde hij met intraveneuze zuurstofinfusies en gebruikt hij Helium of Waterstof voor decompressie.
Hij wees op de vullingstoestand van de venen op de handrug als indicator voor rechter voorkamerdruk ('Gaertner-Zeichen' 1903) en hield zich bezig met de stimulatie van de bloedvaten van de hersenen (verhoogde bloedafvloei bij epilepsie 1887).
Hij ontwikkelde een groot aantal praktische apparaten voor de medische wereld: buiten de Tonometer voor bloeddrukmeting aan de vinger (Gärtner-Tonometer 1899), een roterende centrifuge, een weegschaal met draaibare graadschaal, een toestel voor de polscontrole bij operaties (Sphygmoskoop 1903), een draagbaar beademingsapparaat (Pneumatophor 1896), een klisteer met dubbel blaastoestel (Pneumoklys), een rhinometer, een hematograaf, een draagbaar douchebad (Ombrophor), het electrische tweecellenbad (1889), een meetttoestel voor de bloedstroomsnelheid (Kaolin-Rheostat 1890), een roeibad voor hydrotherapie en een toestel voor het meten van de klanksterkte bij auscultatie (Stetofonometer).

image004_13.jpg 
Gaertner-Tonometer

1900

image006_11.jpg 
Bloeddrukmeter vervaardigd door Boulitte

1900

De Poolse wetenschapper John Prus (1859-1926), hoofd van het Departement of Algemene en Experimentele Pathologie in Lwów, deed studies over de reanimatie bij klinisch dode mensen. Op 19 januari 1900 was hij de eerste wereldwijd om een directe hartmassage toe te passen na chirurgische opening van de borst bij een persoon die zelfmoord gepleegd had door zich op te hangen en gelijktijdig paste hij artificiële ventilatie toe via een tracheostomie buis. Twee uur na de dood herstelde hij de werking van het hart binnen de 15 minuten. Daarmee werd Prus één van de pioniers van de reanimatie. In zijn werk trachtte hij te bewijzen dat het mogelijk was het hartactiviteit te herstellen na een plotse hartstilstand door het gebruik van mechanische stimuli.


<< 1891-18951901-1904 >>