Cardiologisch onderzoek: 1871-1875
1871
C. Speck gebruikte voor het meten van O2 en CO2 een paar gazometers, eentje voor de ingeademde lucht en eentje voor de uitgeademde lucht. Een neusklem sloot de neusgaten af en het ademen gebeurde door een buis in de mond. Kleppen werden gebruikt om de ingeademde en uigeademde lucht te scheiden. De veranderingen in het gewicht van de klokken van de gazometers werden gecompenseerd door een verhoging of een verlaging van de tegengewichten. Een staal van de uitgeademde lucht werd geanalyseerd op koolstofdioxide en zuurstof.
1871

Johann Nepomuk Czermak (1828-1873), direkteur van het fysiologisch ‘spectatorium’ van Leipzig, toonde tijdens een les over het hart de ritmische bewegingen van dat orgaan door middel van een cardioskoop, die speciaal hiervoor ontworpen werd.

Het nog steeds kloppende hart dat hij uit een kikker gesneden had, werd op een kleine tripod geplaatst. Kleine stukjes kurk werden op de twee hartkamers geplaatst en verbonden met gebogen stalen stokjes. Aan het einde van ieder stokje was een lichte spiegelplaat die voorwaarts of achterwaarts bewoog wanneer de hartkamer contracteerde. Vanuit een ‘laterna magica’ werd een lichtstraal op de spiegeltjes gericht, die het licht op een scherm reflecteerden. In de donkere aula konden de aanwezigen het uitvergroot beeld van de hartbewegingen zien.
1871

De Berlijnse Professor Ludwig Traube (1818-1876), beschreef veranderingen in de hartspieren bij patiënten die geen nierziekte hadden. Hij werd ook bekend omdat hij systematisch alles documenteerde, zo gebruikte hij de koorts-, pols- en ademfrequentiecurve in de klinische praktijk. Hij onderzocht de patho-fysiologie van de ademhaling en de temperatuurregeling en plaatste de digitalistherapie op wetenschappelijk niveau. De nauwe samenhang tussen hart- en nierziekten werd door hem beschreven.
1872
De Franse arts Gabriel Lippmann (1845-1921) vond de 'capillaire elektrometer' uit, omwille van het gebrek aan sensitiviteit van de rheotoom. Het toestel bestond uit een dunne glazen buis met kwik op de bodem en verdund zwavelzuur daar bovenop. Een verandering in de elektrische lading wijzigde de oppervlaktespanning van het kwik, waardoor het kwikniveau in de capillaire buis op en neer bewoog. De kwik meniscus (= holle-bolle lens) bewoog met de wisselende elektrische potentialen en werd geobserveerd via een microscoop. Lippmann was een veelzijdig wetenschapper, maar hij is vooral bekend wegens zijn bijdragen aan de optica en de elektriciteitsleer. Hij bestudeerde onder andere de relatie tussen elektrische en capillaire verschijnselen en construeerde op basis van dit onderzoek een eigen galvanometer en een zeer gevoelige elektrometer, die gebruikt werden bij het maken van de eerste elektrocardiogrammen.

De hier getoonde 'capillaire galvanoscoop' van Lippmann gebruikte hetzelfde principe als het toestel van Waller en later dat van Einthoven, maar had een lichtjes verschillende configuratie. Een kleine druppel kwik in de horizontale capillaire buis bewoog onder invloed van een elektrisch veld veroorzaakt door twee elektroden. Het toestel werd geleverd met een glazen schaal voor projectie.
1872

Frederick Henry Horatio Akbar Mahomed (1849-1884) maakte de eerste significante verbeteringen aan de sphygmograaf van Marey, waardoor het toestel gebruiksvriendelijker werd. Hij beschreef ook als eerste wat heden ten dage gekend is als 'essentiële hypertensie'.

F. A. Mahomed voegde een drukkeuze toe aan de sphygmograaf van Marey zodat de druk op de brachiale arterie makkelijk kon aangepast worden om op die manier optimale en reproduceerbare metingen te krijgen.

Het toestel van Mahomed
In gedetailleerde klinische studies maakte hij onderscheid tussen ‘chronische nefritis met secondaire hypertensie’ en wat wij nu kennen als ‘essentiële hypertensie’. Zijn klinische studies gebeurden zonder het voordeel van de sphygmomanometer, maar met behulp van een kwantitatief sphygmogram dat hij ontworpen had toen hij nog student geneeskunde was. Hij beschreef de karakteristieke kenmerken van de polsdruk bij patiënten met hoge bloeddruk en bij personen met arteriosclerose. Andere van zijn bijdragen in de verbeteringen op medisch vlak zijn de bloedtransfusie en de appendectomie bij appendicitis. De sphygmograaf van Mahomed was onhandig, behalve in zijn eigen handen, Hij diagnosticeerde verschillende arteriële aneurisma’s uit zijn registraties. Het toestel mat de druk op de pols eerder dan de bloeddruk zelf. Hij gebruikte het toestel om de druk te meten bij patiënten met roodvonk waarmee hij de eerste arts was die ontdekte dat verhoogde bloeddruk een vroeg teken van inflammatie was van de nieren. Hij herkende ook dat hoge bloeddruk een apart fenomeen was en de voorloper en oorzaak van albuminurie, eerder dan het omgekeerde. Hij herkende ook als eerste dat hoge bloeddruk niet alleen met nierziekten gepaard gaat. In oktober 1884 werd hij tijdens zijn dienst in het koortshospitaal ziek van tyfus en geen maand later stierf hij, amper 35 jaar oud.
1872
Hjalmar Heiberg (1837-1897), een Noorse Professor Pathologie, ontdekte micro-organismen in de woekeringen van endocarditis.
1874

De in Napels geboren Walter Holbook Gaskell (1847-1914) studeerde als arts af in Londen, maar ging nadien fysiologie studeren in het labo van Ludwig in Leipzig. Zijn bijdragen situeren zich op het vlak van de zenuwprikkeling van het hart. Hij definieerde vijf eigenschappen van de hartspier: de kracht voor prikkelbaarheid, conductiviteit, toniciteit, ritme en automatische contractie. Hij was één van de eersten om de snaargalvanometer van Einthoven te gebruiken bij zijn onderzoeken

Walter Holbrook Gaskell, links op de foto, gebruikte bij zijn studies krokodillen uit Ceylon om de cardiale effecten op de vagale en sympathische zenuwen te onderzoeken.
1875
De Boheemse arts Baron Carl von Rokitansky (1804-1878) beschreef in ‘Die Defekte der Scheidewände des Herzens’ de pathogenese van intra-uterinaire letsels.
