Cardiologisch onderzoek: 1851-1860
1851
De Britse arts John Snow (1813-1858) verwierf faam en autoriteit in twee verschillende domeinen: anaestesie en epidemiologie. Zo is bijvoorbeeld bekend dat hij Koningin Victoria chloroform toediende

Hierboven het toestel dat Snow in 1851 gebruikte om de hoeveelheid koolstofdioxide te meten die dieren tijdens een anestesie uitademden. Het toestel was gebaseerd op dat van Regnault en Reiset uit 1849.
1852

William Senhouse Kirkes (1822-1864), een Engelse fysioloog, schreef in 1848 het referentiewerk 'Kirkes' Physiology'. Het onderzoek van Kirkes spitste zich toe op cardiologie en vasculaire ziekten. In 1852 beschreef hij als eerste embolie als gevolg van woekeringen in infectieuse endocarditis. Drie jaar later publiceerde hij een proefschrift over bloedingen in de 'ziekte van Bright', die wij nu kennen als 'acute of chronische nefritis', waarin hij de rol beschreef die een verhoogde intra-arteriële druk als pathogeen agens speelt in arteriële ziekten. Hij benoemde ook de 'cutane nodulen', door Libman de 'nodes van Osler' genoemd.
1853
De Duitse arts Hermann Ludwig Ferdinand von Helmholtz (1821-1894), vooral bekend door zijn uitvinding van de oftalmoscoop, leverde een belangrijke bijdrage voor de ontwikkeling van de elektrocardiograaf. In 1853 beschreef hij de drie principes die distributie van elektrische stromen in volume conductors beheren: het principe van 'wederkerigheid', het principe van 'superpositie' en het principe van 'elektromotieve oppervlakte'. De fysiologen uit die tijd schonken geen aandacht aan deze principes, maar in 1950 werden ze gebruikt door Wilson en Bailey
1854
De Franse fysioloog Marie Jean Pierre Flourens (1794-1867) publiceerde in 1854 'Histoire de la découverte de la circulation du sang'.
1855

Het door Rudolph Albert von Kollicker (1817-1905) gepubliceerde werk over de 'actiestromen' van het hart toonde aan dat er bij elke hartslag van een kikker een afgebakende elektrische stroom geproduceerd wordt. Door het gebruik van een galvanometer aan de basis en de top van een blootgestelde ventrikel bevestigden Rudolph von Kollicker (1817-1905) en Heinrich Müller (1820-1864) dat een elektrische stroom iedere hartslag begeleidt. Zij gebruikten eveneens een zenuw-spier preparatie, zoals die van Matteucci, aan de ventrikel en observeerden dat een spierkramp optrad net voor de ventriculaire systole en eveneens een veel kleinere spierkramp na de systole. Deze krampen werden later herkend als veroorzaakt door de elektrische stromen van de QRS en T golven.
von Koelliker A, Muller H. Nachweis der negativen Schwankung des Muskelstroms am naturlich sich kontrahierenden Herzen. Verhandlungen der Physikalisch-Medizinischen Gesellschaft in Wurzberg. 1856;6:528-33.
1855
In 1855 al stelde Karl Vierordt (1818-1884) dat het noodzakelijk was om een directe en niet invasieve methode te vinden voor het meten van de arteriële pols. Hij ontwikkelde dan ook technieken en hulpmiddelen voor de monitoring van de bloedcirculatie. De 'haemotachometer' is o.a. van zijn hand, een toestel waarmee hij de velociteit van het bloed mat. In 1854 ontwikkelde hij een sphygmograaf, een toestel met een lengte van 168 cm, dat bestond uit een systeem dat gelift werd door een hefboom om de bewegingen te noteren van een gewicht dat op de radiale arterie rustte. De evaluatie van de bloeddruk werd bekomen door het gewicht te wegen dat nodig was om de pols te doen verdwijnen. Dit toestel wordt beschouwd als de voorloper van de sphygmomanometer.

De sphygmograaf van Vierordt
1856
In 1856 noteerde de Franse epidemioloog Jean Faivre voor het eerst de bloeddruk op invasieve wijze, tijdens een beenamputatie waarbij hij de kymograaf van Ludwig gebruikte.
1856
J.P. Phillip schrijft de eerste verstaanbare geschiedenis van hartziekten.
1856

De Britse arts en medisch auteur Edward Smith (1819-1874) was een pionier op het vlak van fysiologische scheikunde. Hij ontwikkelde één van de eerste spirometers en in 1856 schreef hij zijn eerste werk, waarin hij vooral aandacht besteedde aan de werking van het menselijk lichaam. Hij deed ontzettend veel metingen van zijn eigen lichaamstemperatuur en pols, tot 50 maal per dag.
1856

In 1856 schreef Professor Ludwig Traube (1818-1856), één van de topfiguren uit de Duitse Geneeskunde, een belangrijk werk 'Ueber den Zusammenhang von Herz-und Nieren-krankheiten'. Vanuit klinische observaties en fysiologische experimenten, schoof hij in dit werk een verstaanbare hypothese naar voor die cardiale hypertrofie relateerde aan nierziekten, wat in 1830-1836 voor het eerst genoteerd was door Richard Bright (1789-1858). Traube postuleerde een reeks pato-fysiologische gebeurtenissen die een buitengewone precisie hadden en die nog altijd de basis vormen voor het hedendaagse denken. Op het einde van zijn artikel noteerde hij: "Ik laat de combinatie van hartziekten met een hersenbloeding buiten beschouwing, omdat ik betreffende de causale relatie van deze ziekten niets heb toe te voegen aan de werken van Rokitansky en Senhouse-Kirkes "
Later, opgevouwen in een artikel over 'pulsus bigeminus' dat hij op 20 maart 1871 aan de 'Medical Society of Berlin' presenteerde en dat gepubliceerd werd in de 'Berliner Klinische Wochenschrift' het jaar nadien; verkondigde hij: "Het was Senhouse-Kirkes die voor het eerst het principe voorstelde dat arteriosclerose eerst en vooral het resultaat is van een langdurige hoge druk op het aortisch systeem. Aldus verscheen er, geloof ik, de eerste zinspeling op een juist standpunt, niet alleen over de oorsprong van deze aandoening maar tevens over haar pathologische betekenis, dat arteriosclerose volgens Senhouse-Kirkes dezelfde basis zou hebben als de hypertrofie van de linkerventrikel."
1857

Het eerste deparetment fysiologie wereldwijd werd in 1857 in Wroclaw opgericht door John Evangelist Purkinye (1787-1869), een bekend Tjechisch wetenschapper die één van de stichters was van de experimentele fysiologie. Hij ontdekte de vezels van het geleidingssysteem van het hart, later 'de vezels van Purkinye' genoemd.
1857

Een grafische registratie uit de eerste publicatie van de Franse arts en cineast Jules Marey (1830-1904): 'recherches hydrauliques sur la circulation du sang dans les vaisseaux'.
1858

Karl Vierordt (1818-1884) onderzocht onder de microscoop de woekeringen die samengaan met een endocarditis en noemde daarbij de term 'embolisme' en besprak de rol van bacteriën, vibrionen en micrococci in endocarditis
1858

William Thompson (Lord Kelvin) (1824-1907), Professor Natuurlijke Fylosofie aan de Glasgow University, vond de 'spiegel galvanometer' uit voor de ontvangst van trans-atlantische telegrafische transmissies.

Spiegelgalvanometer
1858

Een vroeg maar verstaanbaar boek 'On Malformations of the Human Heart', gewijd aan de cyanotische en acyanotische congenitale hartziekten , werd in 1858 en 1866 gepubliceerd door Thomas Bevill Peacock (1812-1882), een Londense arts met speciale interesse in pathologie. In zijn boek gaf Peacock een overzicht van de voorafgaande literatuur en presenteerde hij gedetailleerde 'case studies', prachtige etsen van de pathologie, persoonlijke inzichten en een anatomische rangschikking van meer dan 100 patiënten.
1858

Nadat de gebroeders Weber in 1845 de remmende werking van de vagus ontdekten, toonde de Franse arts Claude Bernard (1813-1878) het bestaan aan van het vaso-motorisch zenuwsysteem, waardoor heel wat kennis werd vergaard over de relatie tussen het zenuwsysteem en het circulatiesysteem. De gebroeders Weber, John Reid (1816-1895), Claude Bernard en Carl Ludwig (1809-1849) mogen dan ook beschouwd worden als de meesters van de fysiologie.
1859

De Britse arts Edward Smith (1819-1874) ontwikkelde een draagbaar open-circuit toestel voor experimenten op mensen, waarbij de proefpersoon een metalen masker met kleppen droeg en een droge gasmeter gebruikt werd die de ingeademde lucht mat en containers met zwavelzuur en kaliumoplossingen om waterdamp en koolstofdioxide te absorberen. Beide containers werden nadien gewogen om de koolstofdioxide output te meten. De uitgeademde lucht werd door een fles geleid die in sterk zwavelzuur gedrenkt puimsteen bevatte, om de waterdamp te verwijderen en daarna via een vat waar het in contact kwam met kaliumhydroxide om de CO te absorberen, waarvan de hoeveelheid geverifieerd werd uit de toename van het gewicht van het vat. Hij deed met dit toestel experimenten in rust maar ook tijdens wandelen aan 2 en 3 m.p.h. Hij mat echter geen zuurstofconsumptie, maar zijn gegevens over de CO-productie waren nauwkeurig
Het toestel van E. Smith
1860

De Fransman Jules Marey (1830-1904) was naast arts ook cineast. Zijn sphygmograaf kon accuraat de polsslag meten, maar was zeer onbetrouwbaar in het bepalen van de bloeddruk. En toch was deze ontwikkeling de eerste die klinisch kon gebruikt worden, en dat alleen al werd beschouwd als een klein succes. De nadelen van de Duitse ontwikkelingen van Vierordt en Ludwig (traag, gebruiksonvriendelijk en onjuist) overwon hij door een elastisch metaalveer te gebruiken, die de pulsaties opnam
