Geschiedenis Cardiologisch Onderzoek: 1700-1724
1706

De Franse Professor anatomie Raymond de Vieussens (1635-1715) beschreef als eerste de structuur van de hartkamers, vooral de linker ventrikel, heel wat bloedvaten van het hart, de aortaklep, mitraal stenose evenals andere types van hart- en circulatiestoornissen. Hij leverde eveneens een eerste omschrijving van de kleine openingen in de venen van het rechter atrium, die nu gekend zijn als 'de foramina van Vieussens' of 'foraminia venarum minimarum'. Zijn 'Novum vasorum corporis humani systema', was een belangrijke bijdrage over de anatomie en de ziekten van het hart. Hij injecteerde de coronaire arteriën met kwik en een safraan kleur en zag dat deze vloeistof in de ruimten van de ventrikels doordrong via kleine openingen in het endocardium. De Vieussens omschreef ook abnormaliteiten in de mitrale aortaklep

'Mitral stenosis', een eerste tekening van de Vieussens
1707

De Italiaan Giovanni Maria Lancisi (1654-1720) studeerde op 18-jarige leeftijd af als arts aan de Universiteit van Rome en werd er achtereenvolgens lijfarts van de Pausen Innocentus XI, Innocentius XII en Clementius XI. Zijn proefschrift 'De subitaneis mortibus' (Over de plotse dood) schreef hij op verzoek van Clement XI om de toename van het aantal plotse doden in Rome te verklaren. Lancisi wijdde de plotse dood aan cerebrale haemoragie, cardiale hypertrofie en dilatatie en aan het vegeteren van de hartkleppen. In één van zijn ander beroemde werken 'De motu cordis et aneurysmatibus' uit 1728 besprak hij de verschillende oorzaken van hartvergroting en was hij meteen ook de eerste om aneurisma's te beschrijven van syfilis oorsprong, waarmee hij een opvallende bijdrage leverde tot de kennis van cardiale pathologie. Lancini beschreef ook ongewone structuren aan de ingang van de aorta
1707

Sir John Floyer (1649-1734), een Engelse arts en auteur, vond de 'one minute pulse watch' uit voor het meten van de polsslag. Floyer is de eerste arts die de pols mat in de dagelijkse praktijk, hij noteerde de scores en observaties waarmee hij een relatie trachtte te vinden tussen polsslag en vele andere metingen, zoals ademhalingsritme, temperatuur, barometer metingen, leeftijd, geslacht, seizoen en zelfs de klimaatgordel waarin de metingen gebeurde. In het begin gebruikte hij als tijdopname de minutenwijzer van een pendule klok. Daarna vroeg hij de horlogemaker Samuel Watson om een horloge aan te passen voor het registreren van de pols. De 'pulse watch' had een tweede wijzer en eveneens een speciale hendel waarmee het mechanisme kon gestopt worden. Met dit nieuwe toestel deed hij precieze berekeningen van de ratio tussen bloed en lichaamsgewicht.

De eerste chronometer, die exact 60 seconden liep en speciaal gemaakt was voor het tellen van het aantal pulsen per minuut. De 'Pulse Watch' was geïnspireerd op zowel Galen als Sanctorius. Om precieze metingen van de polssnelheid te bekomen, in plaats van ze te omschrijven als 'zwak', 'snel', of 'galoperend', gebruikte Floyer in de hand gehouden horloges gemaakt door de klokkenmaker Samuel Watson (1687-1710), die de horloge aanpaste aan de medische doeleinden van Floyer. Watson was een beschermeling van Sir Isaac Newton. Floyer werd daarmee de eerste arts die de pols nauwkeurig chronometreerde, wat nu een algemeen routine onderzoek is in de medische praktijk.
1708

De Duitse anatoom Adam Christian Thebesius (1686-1732) herhaalde het experiment van Raymond de Vieussens voor zijn thesis getiteld 'De circulo sanguinis in corde' (Over de circulatie van het bloed in het hart). In dat eindwerk beschreef hij de kleine cardiale veneuze 'zijriviertjes', die direct uitmondden in de cardiale kamers. Deze venen zijn gekend als de 'Thebesiaanse venen' of 'venae cordis minimae' en het afvoeringsysteem wordt het 'Thebesiaanse systeem' genoemd. Twee andere eponiemen zijn de 'Thebesische foramina', ook gekend als 'doramina venarum minimarum' of 'Vieusssens foramina' naar de oorspronkelijk ontdekker en de 'Klep van Thebesius' of de 'klep van de coronaire sinus'.
1708
De bloedcirculatie werd onderzocht door de Schotse arts James Keill (1673-1719), die in zijn 'Account of Animal Secretion, the Quantity of Blood in the Human Body, and Muscular Motion' een beoordeling trachtte te maken van de snelheid van het bloed in de aorta, hij schatte die op 15.85 m/min. Daarna toonde hij aan dat door de weerstand van de vaten de snelheid verminderde richting smallere vezels en hij kwam tot de verbazende conclusie dat het bloed zich in de smalste vaten aan een snelheid van 100mm per 278 dagen verplaatste, een mooi voorbeeld van de extravagante fouten die de mathematisch fysiologen uit die periode maakten.
1713

Terwijl de anatomie en de fysiologie van het hart bestudeerd werden, analyseerden anderen de perifere pols, die de mechanische expressie was van de cardiale activiteit. In 1713 gebruikte Michael Bernhard Valentini (1657-1725) 'polsdiagrammen' en polstheorie in zijn dagelijkse huisartsenpraktijk.

Een polsdiagram van Valentini
1717
James Keill (1673-1719) gaf verdere beschrijvingen van het hydraulisch fenomeen van de bloedcirculatie in zijn brieven aan de 'Royal Society', die hij verzamelde in zijn 'Essays on Several Parts of the Animal Oeconomye'. Door het schatten van de hoeveelheid bloed die bij iedere contractie van het hart werd uitgestoten en rekening houdend met de diameter van de aorta opening, berekende hij de snelheid van het bloed. Hij stelde dat het bloed dat naar de aorta werd gestuurd bij iedere contractie een cylinder vormde met een lengte van 200mm en een snelheid van 47 meter per minuut. Door het schatten van de weerstand die in de vaten moest overwonnen worden, vond hij dat de kracht van het hart ietsje boven 450 gram moest zijn, een merkwaardig verschil met de berekening van Borelli. De methode van Keill was ingenieus en is van historisch belang omdat het de eerste poging was om quantitatieve resultaten te bekomen, maar het waren geen juiste resultaten omdat de gegevens waarop hij zich baseerde onjuiste berekeningen gaven. De berekeningen trokken nochtans niet alleen de aandacht van de anatoom-fysiologen zoals Haller, maar ook van sommige artsen zoals James Jurin (1684-1760) en Daniel Bernoulli (1700-182). Jurin stelde dat de kracht van linker vertrikel rond de 3,8 kg moest zijn en die van de rechter ventrikel rond de 2,5 kg.
1719

In een posthume publicatie van de Sloveense arts Marcus Gerbezius (1658-1718) werd een patiënt beschreven met een pols van 25 slagen per minuut, die over duizeligheid en licht epileptische aanvallen kloeg, met een diagnose van complete hartblock en Adam-Stokes aanvallen. Later werd dit het 'Morgagni-Adams-Stokes syndroom' genoemd of de 'ziekte van Adams-Stokes'. Nu is het gekend als 'Gerbezius-Morgagni-Adams-Stokes syndroom' (GMASS).
1720

Xu Dachun (1693-1771) maakte het volgende statement: "Indien zij die de Geneeskunde beoefenen geen polsdiagnose uitvoeren met de grootste zorg, zullen zij niet in staat zijn levens te redden, zelfs met de grootste bekwaamheid van hun drie vingers. Ongelukkig genoeg weten de hedendaagse artsen niets over de pols en dragen zij hierdoor geen zorg als zij een voorschrift voorschrijven. Niemand weet hoeveel patiënten zij gedood hebben met hun therapieën."
1722

De Poolse arts John Adamus Kulmus (1689-1745) uit Wroclaw publiceerde 'Tabulae anatomicae', een zeer grote anatomie atlas, die later vertaald werd in zeven talen, o.a. ook in het Japans (foto hierboven). Hij was een leerling van Boerhaave en had in 1718 al 'De sanguine ejusque circulatione' gepubliceerd. In 1744 volgde 'De circulatione sanquinis medicina universali'. Beide werken waren gebaseerd op de theorie van Harvey over bloedcirculatie, het waren dus geen eigen uitvindingen.
1723
Christian Stenzel beschreef beschadigingen van de binnenwand van de arteriën veroorzaakt door 'steatomeuse tumoren' in de aorta
